Baten en lasten van de openbare bibliotheek

Bibliotheken zijn voor het grootste deel van hun inkomsten afhankelijk van subsidies. Hoewel het subsidieniveau tussen 2010 en 2017 met 10% is gedaald, bestaat 79% van de inkomsten van bibliotheken nog altijd uit gemeentelijke subsidies en bijdragen. In vergelijking met 2017 zijn zowel de inkomsten als de kosten van bibliotheken gestegen. Daardoor blijven de uitgaven en inkomsten in balans; reserves worden nauwelijks gevormd of aangesproken (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019).

Lichte stijging subsidies en bijdragen

Subsidies zijn de belangrijkste inkomstenbronnen van bibliotheken. In 2018 bestond 79% van de inkomsten van bibliotheken uit gemeentelijke subsidies en bijdragen (407 miljoen). In vergelijking met 2017 stegen de inkomsten van de 146 openbare bibliotheekorganisaties in 2018 licht. Gezamenlijk ontvingen zij voor 419 miljoen euro aan inkomsten; in 2017 bedroeg dit 414 miljoen euro. Gemiddeld ontvangen de bibliotheken €24,38 aan gemeentelijke subsidies en bijdragen per inwoner. De stijging in het totaal aan subsidies gaat echter niet voor alle lokale bibliotheken op: drie op de tien bibliotheekorganisaties ontvingen in 2018 minder subsidies dan in 2017. Naast subsidies bestonden de baten uit eigen inkomsten van bibliotheken (79,1 miljoen) en diverse baten, zoals rente en sponsoring (26,5 miljoen). In totaal bedroegen de totale inkomsten van openbare bibliotheken in 2018 512 miljoen euro, 1% meer dan in 2017 (507 miljoen) (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019).

Bron: Van de Burgt & Van de Hoek, 2019.

Voorzichtige verschuiving in de oorsprong van subsidiebudgetten

Het grootste deel van de subsidies voor bibliotheken komt nog steeds uit de cultuurbegroting van de gemeente. Toch is de laatste jaren een voorzichtige verschuiving te zien. Het bereik en de activiteiten van de bibliotheek gaan tegenwoordig verder dan het culturele domein. Bibliotheken verbreden hun dienstverlening naar het sociale domein en gaan ook samenwerkingsverbanden aan met partners als maatschappelijke dienstverleners, zorginstellingen, organisaties gericht op persoonlijke ontwikkeling en financiële en juridische dienstverleners (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019). Deze verbreding heeft ook effect op de financiering van projecten en programma’s. Steeds vaker is er sprake van aanvullende financiering uit andere beleidsportefeuilles. Zo is er, zowel op nationaal als lokaal niveau, aanvullende financiële ondersteuning voor de aanpak van laaggeletterdheid en de dienstverlening rondom basisvaardigheden. Dit maakt pilots mogelijk en stimuleert de ontwikkeling van nieuwe programma’s, zoals de landelijke inkoopregeling Digisterker en het convenant met de Belastingdienst.

Afname in subsidies sinds 2010

Tussen 2005 en 2010 groeiden de subsidieinkomsten van openbare bibliotheken aanzienlijk. Vanaf 2010 liep door de economische recessie de omvang van het Gemeentefonds terug. Dat leidde eerst tot een stabilisatie en daarna een tot gevoelige teruggang in de inkomsten. Tussen 2010 en 2017 daalde het subsidieniveau met 12%, waarbij de jaren tussen 2010 en 2014 het grootste effect hadden (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019). In 2010 had 30% van de bibliotheken te maken met vastgestelde bezuinigingen (Kasperkovitz, 2010). Een jaar later was dit al bijna verdubbeld naar 59% (Kasperkovitz, 2011). Over de periode 2012-2014 kreeg maar liefst driekwart van de bibliotheken met bezuinigingen te maken (Hartveld et al, 2015).

Relatief kleine dalingen na 2014

Ook na 2014 is een daling in de subsidies zichtbaar, al is deze minder groot dan in de voorgaande jaren. Van 2017 op 2018 daalde de gemeentelijke subsidie met minder dan 1%. In de jaren daarvoor daalde de gemeentelijke subsidie met 1 à 2% ten opzichte van het voorgaande jaar (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019). Ook deze relatief kleine dalingen kunnen echter direct merkbare gevolgen hebben voor de bibliotheken. Gemeentelijke subsidies blijven immers veruit de belangrijkste inkomstenbron.

Impact van bezuinigingen

De bezuinigingen op de gemeentelijke subsidies hebben in de afgelopen jaren tot de volgende beleidswijzigingen geleid:

  • Meer samenwerking met sociale partners;
  • Cultureel ondernemerschap en andere mogelijkheden om meer eigen inkomsten te genereren;
  • De terugloop van het personeel;
  • Selectie (en dus reduceren) van de collectie;
  • Daling van het aantal vestigingen, al is dit minder dan verwacht (Hartveld et al, 2015).

Lichte groei inkomsten

Ook de eigen inkomsten van bibliotheken stegen in 2018 ten opzichte van het jaar daarvoor: van 77 miljoen in 2017 naar 79 miljoen in 2018. Het merendeel van dit bedrag betreft inkomsten uit lidmaatschappen – niet door een toename van een aantal leden, maar door de toegenomen inkomsten rondom specifieke dienstverlening, zoals activiteiten, mobiele diensten en het verhuren van ruimtes. In 2018 bedroegen de inkomsten specifieke diensten 22,2 miljoen; in 2017 was dat nog 18,6 miljoen (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019). Deze ontwikkeling bevestigt de transitie die de bibliotheken doormaken: van klassieke uitleenbibliotheek naar brede maatschappelijke bibliotheek. Waar de inkomsten uit lidmaatschappen afnemen, groeien daarmee de inkomsten uit andere diensten. In 2018 telden de 146 Nederlandse openbare bibliotheekinstellingen samen ruim 3,6 miljoen leden, een aantal dat sinds 2014 nauwelijks is veranderd. In 2018 ontvingen alle bibliotheken samen 56 miljoen euro uit inkomsten van gebruikers, zoals abonnementsgelden, contributies, leengeld en boetes van ingeschreven gebruikers. In 2017 was dat nog 58 miljoen.

Bron: Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019.

Subsidies provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s)

De provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s) ontvangen subsidies van de provincies voor het uitvoeren van de provinciale ondersteuningstaken die wettelijk zijn vastgelegd (Wsob artikel 16). Dit gaat om de distributie van fysieke werken via het interbibliothecaire leenverkeer en de ontwikkeling van innovaties voor de lokale bibliotheken. De totale subsidies op het provinciale niveau bedroegen in 2018 bijna 29,7 miljoen euro (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019). Deze POI’s voeren naast de wettelijke ondersteuningstaken ook betaalde opdrachten uit voor de openbare bibliotheekorganisaties. Hieronder vallen onder meer ledenadministratie en uitleenregistratie, personeelsadministratie, beleidsadvisering en IT-diensten. Hoeveel deze inkomstenstroom (‘omzet’) bedraagt, is niet voor alle POI’s bekend.  

Provinciale bijdragen in het kader van wettelijke taken (x € 1.000)

2018

Drenthe

1.753

Flevoland

602

Friesland

3.062

Gelderland

4.989

Groningen

1.975

Limburg

1.315

Noord-Brabant

2.610

Noord-Holland

2.384

Overijssel

2.512

Utrecht

2.173

Zeeland

1.272

Zuid-Holland

5.043

Totaal

29.691

Bron: Van de Burgt & Van de Hoek, 2019.

Personeel grootste kostenpost

De uitgaven en inkomsten van openbare bibliotheekorganisaties blijven in balans. Er is niet of nauwelijks sprake van het vormen of aanspreken van reserves. In 2018 bestonden de lasten in totaal uit 519 miljoen euro. De belangrijkste kostenpost voor bibliotheken is het personeel: 51% van de uitgaven van bibliotheken bestaat uit kosten voor personeel in loondienst (263,8 miljoen euro). Huisvestingskosten staan op de tweede plaats: circa een vijfde van de uitgaven is bestemd voor deze post (115,3 miljoen). Naar het aanschaffen van materialen voor de collectie gaat 11% van het budget (55 miljoen). De verhoudingen tussen de diverse kostenposten zijn de afgelopen jaren nagenoeg onveranderd gebleven (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019).

Bron: Van de Burgt & Van de Hoek, 2019.

Stijging personeelskosten

De grootste relatieve kostendalingen van de afgelopen jaren komen voor bij de twee grootste kostenposten: personeel en huisvesting. De bezuinigingen op de gemeentelijke subsidies in de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan een terugloop van het personeel, een daling van het aantal vestigingen en een krimp van de collectie. In 2018 groeide het personeelsbestand echter licht, tot bijna 7 duizend medewerkers in loondienst, hetgeen ook zichtbaar is in de personeelskosten: deze zijn in 2018 toegenomen van 253 miljoen naar 264 miljoen. De stijging van de totale lasten van bibliotheken in vergelijking met 2017 komt met name voort uit deze stijging van de personeelskosten. De kosten voor huisvesting (115 miljoen) bleven nagenoeg gelijk aan 2017; de collectie- en mediakosten daalden licht, van 56,7 naar 55 miljoen (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019).

Bron: Van de Burgt & Van de Hoek, 2019; CBS, 2019.

Bronnen