Dossier Trends

Lees het hele voorwoord

Voorwoord

Demografische, economische en technologische ontwikkelingen zijn van grote invloed op de manier waarop we leren, werken, consumeren en samenleven. Als middelpunt van de lokale gemeenschap hebben openbare bibliotheken daar dagelijks mee te maken. Deze veranderingen leiden tot nieuwe vragen over de rol van de bibliotheek.

In dit dossier beschrijven we maatschappelijke trends op gebieden die voor bibliotheken relevant zijn. Denk bijvoorbeeld aan de ongelijkheid die ontstaat als mensen niet dezelfde kansen kunnen grijpen, de veranderingen in mediagedrag, lezen en nieuwsconsumptie, de gevolgen van de datasamenleving die nu ontstaat, flexibilisering op de arbeidsmarkt, ontwikkelingen in de publieke ruimte, burgerbetrokkenheid en publieksparticipatie.

We plaatsen de trends in een bredere context en proberen er duiding aan te geven: wat betekenen deze ontwikkelingen voor bibliotheken? Daarover kunnen bibliotheken zelf uiteraard het beste nadenken. We hopen dat een trendverkenning zoals deze kan bijdragen aan dat denkproces. Bovendien is het trenddossier nooit af. Het is een momentopname die voortdurend aangevuld kan worden en voorzien van nieuwe contexten.  

Totstandkoming

De gegevens die zijn verwerkt in de artikelen komen uit verschillende bronnen. Soms gaat het om onderzoek dat door of in opdracht van de KB is uitgevoerd. Daarnaast zijn externe bronnen gebruikt, zoals publicaties van provinciale ondersteuningsinstellingen (POI's), onderzoeksinstituten, marktonderzoeksbureaus, partnerinstellingen, wetenschappelijke tijdschriften en vakbladen. Dit zijn onder andere het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), GfK, Motivaction, Stichting lezen, Stichting lezen en Schrijven, Mediawijzer.net, Bibliotheekblad en IP.

Lees de volledige tekst

Ongelijke kansen

Onzekerheid over de toekomst en toenemende kansenongelijkheid zorgen voor grote verschillen in de samenleving. De overheid legt meer verantwoordelijkheid bij de burger, maar zelfredzaamheid vraagt om vaardigheden waarover niet iedereen in gelijke mate beschikt. Dat vergroot het risico dat mensen niet meer kunnen meekomen, met eenzaamheid, een gebrekkige gezondheid, schooluitval, werkloosheid en armoede als gevolg. Dit druist in tegen het ideaal van een inclusieve samenleving.

Afbeelding

Toenemende complexiteit

Nederlanders waarderen de kwaliteit van leven gemiddeld met een 7,8. De meeste mensen voelen zich gezond, de levensverwachting stijgt en gevoelens van onveiligheid nemen af. Er zijn echter grote verschillen tussen groepen in de samenleving. De toenemende complexiteit van de informatiesamenleving maakt het voor een groeiende groep mensen moeilijker om volwaardig deel te nemen aan de samenleving. Er zijn telkens nieuwe vaardigheden nodig om deze veranderingen te kunnen bijbenen - op economisch, sociaal, cultureel en persoonlijk vlak (Wennekers et al., 2019).

 

Sociale scheidslijnen

Vroeger bepaalden werk en inkomen voor een groot deel de belangrijkste sociale scheidslijnen tussen bevolkingsgroepen: de haves en de have-nots. Tegenwoordig is opleidingsniveau de belangrijkste sociale scheidslijn. De kloof tussen hoger en lager opgeleiden heeft zich de laatste jaren verdiept (Bovens et al., 2014). Digitale ongelijkheid zorgt bovendien voor nieuwe scheidslijnen tussen mensen die wel en mensen die niet goed voor zichzelf kunnen opkomen, die wel of niet de juiste informatie weten te vinden en die wel of niet overweg kunnen met systemen van zorg en toeslagen (Bovens et al., 2014; Van Deursen, 2018).

Laaggeletterdheid 

Laaggeletterdheid is een hardnekkig verschijnsel dat aan de basis ligt van een opeenstapeling van andere problemen, zoals eenzaamheid, schooluitval, werkloosheid en armoede. Het is een probleem dat van generatie op generatie wordt overgedragen: kinderen van taalzwakke ouders hebben zelf ook meer kans om laaggeletterd te worden. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wil extra aandacht voor de doelgroep met Nederlands als eerste taal. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld extra financiën inzetten om de hulp aan laaggeletterden te intensiveren. 

 

Verschillen vergroten ongelijkheid

Nederland beschikt over een beroepsbevolking met een hoog gemiddeld niveau van taalvaardigheden. Tegelijkertijd worden de onderlinge verschillen groter. Dit kan sociale ongelijkheid vergroten, omdat taalvaardigheden nauw samenhangen met arbeidsmarktparticipatie, maatschappelijke participatie en gezondheid (PIAAC, 2013). Terwijl hoogopgeleiden het internet relatief veel benutten voor informatie, educatie en carrièrekansen, gebruiken laagopgeleiden internet voornamelijk om te chatten, video’s te bekijken, spelletjes te spelen. Om de digitale kloof te verkleinen, is een integrale aanpak voor sociale inclusie nodig (Van Deursen, 2018). Daarin gaat het niet alleen om functionele vaardigheden, maar ook om profijt op sociaal, cultureel en persoonlijk vlak.

Eenzaamheid

Door de toenemende vergrijzing, individualisering en groei van het aantal eenpersoonshuishoudens wordt eenzaamheid een groeiend maatschappelijk probleem. Een hogere opleiding, mobiliteit en het onderhouden van contacten via sociale platforms zijn tegenkrachten voor de toenemende eenzaamheid bij ouderen. Onder jongeren kan de druk van sociale media gevoelens van eenzaamheid juist aanwakkeren. De afbouw van de welvaartsstaat kan eenzaamheid verergeren. Kwetsbare mensen zijn hierdoor sterker aangewezen op zichzelf en krijgen minder gelegenheid om deel te nemen aan activiteiten (Wennekers et al., 2019).

 

Kwetsbaarheid

Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de taken op het gebied van het sociaal domein en werk en inkomen: de uitvoering van de Wmo, Participatiewet, Jeugdwet en Wet Schuldhulpverlening. Nu de tekorten oplopen, zoeken gemeenten naar mogelijkheden om hun dienstverlening te optimaliseren en tegelijkertijd hun efficiency te verhogen. Met het afbreken van de verzorgingsstaat komt er meer nadruk te liggen op zelfredzaamheid. Er zijn echter grote groepen die het moeilijk vinden om met nieuwe ontwikkelingen mee te gaan, zeker nu veel dienstverlening is gedigitaliseerd (WRR, 2017). Bij zijn aantreden had Rutte de ambitie om ‘achterblijvers’ in de samenleving te helpen. Toch werden kwetsbare groepen sindsdien juist kwetsbaarder - en dat terwijl het goed gaat met de Nederlandse economie (Putters, 2017; Wennekers et al., 2019).

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Inclusie

Het is inmiddels duidelijk dat er altijd een groep mensen zal zijn die de vaardigheden missen om zelfstandig aan de samenleving te kunnen deelnemen. Dat betekent dat voor deze mensen structurele ondersteuning nodig is. Tegelijkertijd hebben veel dienstverlenende organisaties zichzelf op afstand geplaatst van de mensen voor wie ze het uiteindelijk doen: balies zijn vervangen door callcentra, menselijk contact door een automaat of website. Om hun doelgroep te bereiken, moeten ze nu andere wegen bewandelen. Daarvoor zijn bibliotheken met hun brede bereik en hun laagdrempelige voorzieningen de aangewezen plek.

Verbreding aanbod basisvaardigheden

Nu bibliotheken zich verder in het sociaal domein begeven, zien we een verbreding van de dienstverlening van taal en digitale vaardigheden naar werk en inkomen. Inmiddels heeft ruim twee derde van de bibliotheken de dienstverlening uitgebreid van taal en digitale vaardigheden naar financiële zelfredzaamheid, toeleiding tot de arbeidsmarkt, informatievaardigheden en vaardigheden op het gebied van welzijn en gezondheid. Ook wordt vanuit de aanpak basisvaardigheden ingezet op ondersteuning van laagtaalvaardige ouders (Van de Hoek & Van de Burgt, 2019).

Kwetsbaarste burgers niet in beeld

Een grote groep laaggeletterde en daardoor kwetsbare burgers blijft onder de radar, onzichtbaar voor bibliotheken. Bibliotheken willen het bereik bij deze groep verhogen. In de Manifestgroep (2019) hebben bibliotheken en acht landelijke uitvoeringsorganisaties van de overheid zich verenigd. In de deelnemende bibliotheken worden informatiepunten ingericht waar mensen terecht kunnen voor informatie over de digitale overheid.

Manifestgroep

De Manifestgroep wordt gevormd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK), de Belastingdienst, het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Samen met deze partijen heeft de Koninklijke Bibliotheek (KB) het plan Digitale Inclusie, ondersteuning voor kwetsbare burgers bij het Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid (OBDO). In december 2018 is de inhoudelijke en financiële aanvraag goedgekeurd en in januari is deze door de staatssecretaris vastgesteld.

Met dit plan willen de samenwerkende partijen meer niet-digivaardige burgers stimuleren deel te nemen aan digivaardigheidscursussen in bibliotheken, met als doel dat steeds meer mensen (digitaal) zelfredzaam worden. Daarnaast willen de partijen voor mensen die (blijvend) ondersteuning nodig hebben in de bibliotheek informatiepunten ontwikkelen, waar men terechtkan voor informatie over de digitale overheid afkomstig van de deelnemende uitvoeringsorganisaties. Staatssecretaris Knops van Binnenlandse Zaken (BZK) ondersteunt de aanpak met 1,9 miljoen euro, zo meldt de VNG.

Van 2019 tot en met 2021 bouwen de samenwerkende partijen via de bibliotheken voor deze vorm van ondersteuning een landelijk dekkend netwerk op. Medio 2019 zijn de eerste vijftien kopgroepbibliotheken gestart die de weg plaveien voor verdere uitrol in de twee jaar daarna, aldus de KB.

 

Centrale regie nodig

Er is bezorgdheid dat decentralisering leidt tot versnippering. Verschillende organisaties hebben in 2019 een petitie uitgebracht aan OCW om de aanpak van basisvaardigheden te versnellen. Ze willen dat er meer aandacht komt voor laagtaalvaardige burgers (NT1), voor de mogelijkheden die online en digitaal leren bieden, voor rekenen en digitale vaardigheden, en meer maatwerk. De huidige decentrale aanpak vraagt om goede afstemming en centrale regie.

 

Effect meten

In de sector wordt gewerkt aan het verkrijgen van systematisch inzicht in de effecten van programma’s door het faciliteren en standaardiseren van lokale dataverzameling en het analyseren van verzamelde data op landelijk niveau. Dit zorgt voor inzicht in de unieke bijdrage van bibliotheken aan het voorkomen van (taal)achterstanden, maar in toenemende mate ook in de bijdrage en het functioneren van bibliotheken binnen een ketenaanpak met maatschappelijke partners. Met de Impactmonitor kunnen bibliotheken zelf de opbrengsten van hun activiteiten meten bij deelnemers aan cursussen en activiteiten.

Bronnen

Lees de volledige tekst

Veranderingen in de leescultuur

Nederlanders besteden steeds minder tijd aan het lezen van langere teksten. Vooral de daling van de leestijd en het gebrek aan leesplezier bij jongeren leiden tot zorgen. De behoefte aan het lezen, delen en luisteren van verhalen blijft, maar verschuift naar andere plaatsen en andere kanalen. Tegelijkertijd zijn er volop nieuwe initiatieven in boekhandel, bibliotheek en uitgeverij te vinden. Literaire podia en festivals bloeien op, de interesse voor het zelf schrijven van proza en poëzie groeit en leesclubs en online platforms weten met ‘sociaal lezen’ communities aan zich te binden.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Ontlezing

Het aantal minuten dat men besteedt aan lezen in de vrije tijd daalt al tientallen jaren, maar die neerwaartse trend lijkt nu te stabiliseren. De afgelopen jaren daalde de totale leestijd tot een gemiddelde van 36 minuten op een dag voor het lezen van boeken, kranten, tijdschriften in 2018. Op basis van deze cijfers suggereert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat de bodem van de ontlezing weleens bereikt zou kunnen zijn (SCP, 2019). Nederlanders lezen op een doorsnee dag nog ongeveer evenveel boeken als eerder. Het lezen van dagbladen en tijdschriften is  wel iets afgenomen, hoewel dit slechts om zeer kleine schommelingen gaat (Schaper et al., 2019).

Uitleen- en verkoop van boeken

Het aandeel e-books op de totale boekenverkoop ligt op 7,7%. Het aantal e-bookuitleningen is in 2019 met 10% gestegen en abonnementen op e-books via bijvoorbeeld Kobo of Bol.com zitten in de lift (55%). Fysieke boekverkopen lopen een paar procent terug (CB, 2020). Het aantal bibliotheekleden en uitleningen van fysieke boeken is gedaald. Daar staat een toename van het aantal activiteiten en bezoekers in de bibliotheken tegenover (Van de Burgt & Van de Hoek, 2019).

Leesprestaties jeugd

Er zijn veel zorgen over de leesprestaties van de jeugd. De tijd die de jeugd besteedt aan lezen is verder gedaald, net als het plezier dat ze aan het lezen van boeken beleven. Uit het PISA-onderzoek dat de prestaties van jongeren uit verschillende landen met elkaar vergelijkt, blijkt dat bijna een kwart van de Nederlandse leerlingen onvoldoende leesvaardig is: ze zijn niet toegerust om als zelfstandige en mondige burger deel te nemen aan de samenleving. De leesvaardigheid van Nederlandse 15-jarigen is tussen 2015 en 2018 nog verder gedaald. Bijna de helft van de 15-jarigen vindt lezen tijdverspilling. Ongeveer 60% leest alleen als het moet of om informatie op te zoeken (Gubbels et al., 2019).

LEES!

Eerder dit jaar presenteerden de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur hun oproep LEES! Een oproep tot een leesoffensief. Hierin constateerden zij dat Nederlandse jongeren steeds minder vaak en met steeds minder plezier lezen. Jongeren lezen nog wel veel korte teksten, maar besteden minder tijd aan ‘diep lezen’: het geconcentreerd lezen van langere teksten of boeken. De raden stellen dat mede hierdoor hun leesvaardigheid achteruitgaat en roepen op tot een gezamenlijk offensief om het leesplezier en de leesmotivatie van jongeren te verhogen.

 

Papier, digitaal, mobiel

Nederlanders lezen nog steeds verreweg het meest vanaf papier, al is er een geleidelijke verschuiving naar digitaal en mobiel lezen. Luisteren is in opkomst, mede dankzij de populariteit van de podcast. Online delen mensen hun schrijfsels en leestips met liefhebbers over de hele wereld. Voor taken die meer concentratie vragen, lijken mensen de voorkeur te geven aan teksten op papier. De leesbeleving van een gedrukt boek is anders dan het lezen of beluisteren van een e-book (Wennekers et al., 2018; KVB Boekwerk, 2018).

Leesbeleving

Het maakt verschil of we een tekst tot ons nemen via het scherm of van papier: voor taken die meer concentratie vragen, werkt lezen van papier het beste; een boek lezen ter ontspanning kan ook prima vanaf een scherm of via de oren (Leesmonitor, 2019). Ook de jeugd (10- tot 18-jarigen) leest lange teksten en boeken bij voorkeur van papier. Voor het opzoeken van informatie en het leren van woordjes hebben kinderen en jongeren voorkeur voor digitale media (Boeke et al., 2017).

Audio, luisterboek en podcast

Steeds meer mensen weten luisterboeken te vinden via de online Bibliotheek of via commerciële aanbieders als Storytel. Ook het aanbod van podcasts is enorm gegroeid, variërend van journalistieke producties tot varianten op het hoorspel. De meeste podcasts worden gemaakt rond een onderwerp dat interessant is voor een specifiek publiek, een niche. Een podcast bestaat vaak uit meerdere afleveringen.

De literaire podcast

Literatuur is uitstekend geschikt voor de podcast: niet alleen om te vertellen óver literatuur, met een schrijver in de studio, maar ook als zelfstandig verhaal met verschillende afleveringen. Zie ook De bloei van de literaire podcast.

Combinaties van tekst, beeld en geluid

Experimenten met AR en VR, de inzet van AI, en het mengen van media leveren nieuwe combinaties van tekst, beeld en geluid. De grenzen van literatuur, poëzie en tekst worden opgerekt en de interactie tussen ‘auteur’ en publiek wordt directer, diffuser en collectiever (Balian et al., 2018). Tegelijkertijd worden bewegend beeld en geluid vaker geïntegreerd om teksten te verrijken. Zo wordt de ‘lezer’ dieper het verhaal in getrokken. De mate van absorptie die zo belangrijk is voor de beleving van een verhaal zal medebepalend zijn voor het tekstbegrip en het effect op de ontvanger.

Voorbeeld: Novel Effect

Novel Effect is gebaseerd op voice-technologie van slimme speakers zoals Alexa. Het creëert geluidseffecten en andere audiofragmenten die te horen zijn op het moment dat het boek hardop wordt (voor)gelezen.

Experimenteren met verhalen

Makers experimenten met nieuwe vormen van verhalen vertellen. Voorbeelden zijn een roman verpakt als game of app, de opkomst van literaire podcasts en experimenten met virtuele poëzie. Het boek is niet langer de enige of belangrijkste drager van een verhaal: series, spin-offs en verhaallijnen zijn naar keuze te volgen via verschillende media. Een scan van innovatieprojecten in het digitale literaire domein laat zien dat er vooral vernieuwing plaatsvindt via smartphones. De lezer krijgt daarbij steeds vaker invloed op het verloop van het verhaal. Andere ontwikkelingen zijn dat de auteur technologie laat ingrijpen op zijn schrijfproces en tekst en dat verhalen het scherm verlaten en verdergaan in de fysieke wereld of vice versa. Zo zijn er verhalen geschreven door een computer waarbij algoritmes het verloop van het verhaal bepalen (Dresscher et al, 2017).

Diep lezen

Digitaal lezen brengt veel mogelijkheden en daardoor ook meer afleiding met zich mee. De huidige mediacultuur floreert bij afleiding: iedereen strijdt om de aandacht van de consument. Onderzoekers beginnen zich zorgen te maken over het vermogen om ons langere tijd op een tekst te concentreren. Het diepe lezen zou het afleggen tegen de versnelling van de media en de opmars van de beeldcultuur (Wolf, 2018).

Literatuur buiten het boek

Literatuur begeeft zich buiten het boek: festivals, pop-upevents, poetry slams en wedstrijden bieden een platform voor het geschreven en het gesproken woord. Op internet is een bloeiende cultuur ontstaan van online communities met vloggers, wedstrijden en evenementen. Behalve om het uitwisselen van leeservaringen draait het vaak ook om het zelf schrijven van verhalen en gedichten. Via interactieve apps zoals Wattpad delen vooral jongeren hun creaties en geven ze elkaar directe feedback. Online platforms bieden voor een deel hetzelfde als de traditionele leesclubs, maar ze spreken een ander publiek aan (GfK & KB, 2019).

Sociale platforms voor schrijven en lezen

Op internet is een bloeiende cultuur ontstaan van online communities met vloggers, wedstrijden en evenementen. Behalve om het uitwisselen van leeservaringen, draait het vaak ook om het zelf schrijven van verhalen en gedichten. Platforms zoals Sweek en Wattpad zijn met name populair bij een jongere doelgroep. Jongeren zijn eraan gewend om hun creaties te delen en op die manier directe feedback te krijgen vanuit een eigen kring van volgers. Online platforms bieden voor een deel hetzelfde als de traditionele leesclubs, maar ze spreken een ander publiek aan (GfK & KB, 2019).

Lezen als lifestyle

Er zijn jongeren die wél van lezen houden, en van schrijven bovendien. Young Adult is een uitdijende markt met eigen fans die zowel lezen, schrijven als recenseren. Zie ook het artikel Voor Young Adult-fans is lezen geen hobby maar een lifestyle.

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Lezers vormen het grootste deel van het trouwe bibliotheekpubliek. Zij zijn de kurk waarop het lidmaatschapsmodel drijft. Ook nu de nadruk verschuift naar andere media en nieuwe vormen van geletterdheid, blijft lezen een kernvaardigheid die aan de basis ligt van een kritische omgang met informatie. Digitalisering heeft niet alleen geleid tot een ander verwachtingspatroon van de kant van de lezer, maar heeft de hele keten op z’n kop gezet. Het is nog onduidelijk wat precies de invloed zal zijn van digitaal lezen en luisteren op de verwerking va informatie en de beleving van verhalen, maar dat leesgedrag en leespatronen veranderen is een feit.  

Leesbevordering

In het sectoradvies De daad bij het woord uitte de Raad van Cultuur haar zorgen over het dalend aantal lezers en de toenemende laaggeletterdheid. De raad constateert dat initiatieven voor leesbevordering op dit moment onvoldoende effectief zijn. Die zouden meer moeten aanhaken bij de cultuur van de niet-lezer, van games tot fantasyseries en spoken word - een scene die er wel in slaagt om jonge mensen enthousiast te maken voor de letteren.

Samen werken aan de leescultuur

Voor een gezonde leescultuur is een gezamenlijke inspanning nodig van onderwijs, bibliotheken en andere leesbevorderaars, met name richting ouders en opvoeders en de jeugd in het algemeen. In september 2019 publiceerde de Onderwijsraad samen met de Raad van Cultuur het advies Lees! Een oproep tot een leesoffensief. De raden roepen op tot een gezamenlijke inspanning van onderwijs, bibliotheken, ouders en opvoeders om het lezen tot speerpunt te maken. In het advies over het nieuwe curriculum voor het vak Nederlands is leesmotivatie en leesplezier opgenomen als doel. Daarnaast neemt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) het initiatief tot een actieagenda met alle partijen die een rol spelen bij het lezen en de leescultuur. Daarin wordt ook bekeken hoe bibliotheken en gemeenten invulling geven aan hun leesbevorderende taken en wordt een breder en diverser jeugdboekenaanbod gestimuleerd.

Bronnen

  • Boeke, H., Dondorp, L., Heijtink, M. & Pijbers, R. (2017). Monitor Jeugd en Media 2017. Zoetermeer: Kennisnet.
  • Dresscher, P., Hooft, N. 't & O'Hare, E. (2017). Digitale literatuur. Scan van innovatieprojecten. Amsterdam: KVB Boekwerk & Nederlands Letterenfonds.
  • GfK & Koninklijke Bibliotheek (KB) (2019). Bereik online leesplatformen. Verkoop, aanbeveling en sociaal lezen en schrijven. Amstelveen & Den Haag: GfK & KB.
  • KVB Boekwerk (2018). Wie is de lezer? Tien jaar consumentenonderzoek naar lezen van boeken. Geraadpleegd op 13-11-2019.
  • Leesmonitor (2019). Leesgedrag e-boeken. Geraadpleegd op 13-11-2019
  • Leesmonitor (2019). Leesbeleving e-boeken. Geraadpleegd op 10-12-2019.
  • Gubbels, J., van Langen, A.M.L., Maassen, N.A.M. & Meelissen, M.R.M. (2019). Resultaten PISA-2018 in vogelvlucht. Enschede: Universiteit Twente.
  • Waterloo, S.F., Wennekers, A.M. & Wiegman, P.R. (2019). Media:Tijd 2018. Amsterdam & Den Haag: Nationaal Onderzoek Multimedia (NOM), Nationaal Luister Onderzoek (NLO), Stichting Kijkonderzoek (SKO), Platform Media-Adviesbureaus (PMA) & Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
  • Wennekers, A., Huysmans, F. & Haan, J. de (2018). Lees:Tijd. Lezen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).
  • Wolf, M. (2018). Reader, Come Home. The Reading Brain in a Digital World. Londen: Harper.

Lees de volledige tekst

Opgroeien in de mediasamenleving

Jongeren groeien op in een wereld van informatieovervloed en continue afleiding. De smartphone is een poort naar de wereld, die helpt om nieuwe dingen te ontdekken en contact met anderen te maken, maar ook om mee te leren in het klaslokaal. De jeugd van nu is versmolten met de sociale media: hun online en offline identiteiten vloeien vrijwel naadloos in elkaar over. We weten nog weinig over de invloed van deze ontwikkelingen op het opgroeien van de jeugd. Evenmin weten we hoe we de jeugd kunnen toerusten op een leven volgens de standaarden van de 21e eeuw. Hoewel beeld overheersend is geworden, blijft het ‘gewone’ lezen van belang om goed te kunnen functioneren in de informatiesamenleving.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Technologie is overal

Jongeren groeien op in een samenleving waar informatie binnen handbereik is. Ze moeten goed in staat zijn om informatie te filteren en echt van nep te onderscheiden. De alomtegenwoordigheid van sociale media bepaalt in grote mate hoe ze zich tot elkaar en tot de wereld verhouden. De piepjonge generatie Alpha zal de inzet van geavanceerde technologie normaal gaan vinden. Deze kinderen groeien op met ‘slim speelgoed’ en een Internet of Toys. De inzet van immersieve - onderdompelende - technologieën zoals virtual, augmented en spraaktechnologie zal de interactie met de wereld om ons heen ingrijpend veranderen.

Connected en mobiel

Internet is niet meer weg te denken uit het dagelijks leven van jongeren. Vrijwel alle jongeren hebben thuis toegang tot internet, en dankzij smartphones en sneller internet staan jongeren vrijwel altijd en overal in verbinding met elkaar en met de online wereld. Voor de jeugd van nu lopen de analoge en de digitale wereld in elkaar over. 'We are neither online nor offline, but onlife,' zegt filosoof Luciano Floridi in The Onlife Manifesto. Binnen Europa staat de Nederlandse jeugd bovenaan bij de internetgebruikers. In 2018 gebruikte 95 procent van de jongeren van 12 tot 25 jaar het internet dagelijks (CBS, 2019).

Mediagedrag

Het mediagedrag van Nederlanders verschuift van lineair kijken en luisteren naar het streamen van media via onder meer Netflix, Videoland, Spotify en SoundCloud. Hoewel de ontwikkelingen niet zo snel gaan als soms wordt gedacht, zijn verschuivingen duidelijk te zien bij jongere mensen en hoogopgeleiden (Bakker & Scholten 2019). Zij kijken en luisteren minder vaak naar vaste televisie- en radio-uitzendingen en lezen relatief vaak van een scherm. Jongeren gelden als voorlopers in mediagebruik. We kunnen hun mediagedrag zien als een illustratie van toekomstige ontwikkelingen. Op basis hiervan is het aannemelijk dat niet-lineair kijken, luisteren naar streamingdiensten en lezen van een scherm in populariteit gaan groeien (SCP, 2019).

 

Gelukkig en eenzaam

Nederlandse jongeren behoren tot de gelukkigste mensen van de wereld. Ze geven hun leven een rapportcijfer van rond de 8, hoger dan oudere generaties. Wel zijn er zorgen over de toegenomen prestatiedruk, smartphoneverslaving en de invloed van digitalisering op het welbevinden. Dankzij internet is de jeugd sterk verbonden met elkaar en met de wereld. Tegelijkertijd lijden ze ook onder eenzaamheid en stress. Doordat veel van hun contacten digitaal verlopen, zijn ze eerder bang om dingen fout te doen of spontaan met iemand in gesprek te gaan. Ze zijn gewend om al hun reacties te 'editen' en zo hun acties te herzien.

Conversatie wordt connectie

Sherry Turkle, hoogleraar Social Studies of Science and Technology aan het MIT, stelt in Reclaiming Conversation dat we conversatie hebben ingewisseld voor connectie. Door gesprekken uit de weg te gaan, leert de jeugd niet meer om te gaan met onenigheid en andere meningen. Internet maakt het gemakkelijker om gelijkgestemden te vinden en bestaande denkbeelden te bevestigen. Inlevingsvermogen en empathie zouden daardoor verminderen.

 

Sociale media

Jongeren zijn online. Ze weten dat er altijd een filter is waardoorheen ze kijken en gezien worden. Niettemin, of juist daardoor hebben ze authenticiteit hoog in het vaandel staan en willen ze vooral 'zichzelf' zijn (Doorn et al., 2019). De meest gebruikte sociale media zijn WhatsApp, Snapchat en Instagram. Facebook is onder jongeren niet langer populair. Bij 14-15 jarigen staan WhatsApp en Snapchat bovenaan qua gebruik, bij de iets jongere jeugd maakt TikTok een snelle groei door. TikTok is de eerste socialemedia-app die niet beeld- maar videogebaseerd is. Gebruikers maken een filmpje van dertig seconden van zichzelf en delen dat (Multiscope, 2019). Meisjes gebruiken sociale media, met name WhatsApp en Instagram, intensiever dan jongens. Jongens kijken vaker en langer naar YouTube en communiceren meer via de games die ze online met elkaar spelen. Jongeren volgen vooral vrienden en klasgenoten, daarna bekende YouTubers en pas veel later, na favoriete artiesten en vrienden-van-vrienden, komen de Insta-influencers (Van Driel et al., 2019).

Influencers en livestreaming

Veel jongeren zetten al vroeg stappen naar beginnend ondernemerschap: vloggen op YouTube, een winkel via Instagram, reclame maken voor merken. Ideeën doen ze op bij elkaar. Sommige bedrijven betalen deze influencers om hun producten te promoten. Ze maken gebruik van online platforms, zoals YouTube. Veel e-sportsinfluencers zitten op Amazons streamingplatform Twitch, waar ze kijken hoe anderen aan het gamen zijn. Livestreaming is populair bij jongeren: niet alleen e-sports maar zoals anderen zien eten (mukbang) en fluisterfilmpjes (asmr).

Internettrends

Onderstaande internettrends zijn volgens De synthetische generatie de digitale tegenhangers van samen eten, ontspannen, bewegen, intimiteit en socializen. Alles draait om meedoen en meebeleven. En dat met inzet van alle zintuigen: met geluid, aanraking en gefluister (ASMR), gejoel en beweging (e-sports) en smakken en slikken (mukbang).

  • Mukbang: eten voor de camera;
  • ASMR (autonomous sensory meridian response): het opwekken van een prettig gevoel middels een zacht geluid;
  • E-sports: kijken naar mensen die een spelletje spelen.

 

Gaming: sociaal en verslavend

Bijna alle jongeren gamen. Jongeren spelen vaker dan volwassenen multiplayergames, waarbij meerdere spelers tegelijk spelen, zoals Fortnite. Ze communiceren over hun games en gebruiken het in feite als een sociaal platform (Van Driel et al., 2019). Gamen is een sociale bezigheid geworden, maar verslaving ligt op de loer. Ontwikkelaars weten steeds beter hoe ze mensen zo lang mogelijk aan het gamen houden, door technieken toe te passen die afgekeken zijn van de gokindustrie. Gameverslaving is een groeiend probleem dat niet altijd onderkend wordt (Braak et al., 2019).

Gameverslaving: een groeiend probleem

Grote, veelal Amerikaanse gamebedrijven hebben psychologen in dienst om spellen zo aanlokkelijk mogelijk te maken. Ze importeren technieken uit de gokwereld om zoveel mogelijk ‘microtransacties’ uit de zakken van spelers te schudden. Zie ook Niet douchen, niet eten. Spelen!.

 

Games zijn een miljoenenmarkt

De gamingindustrie is immens. Ook voor games bestaan inmiddels streamingdiensten, waar je voor een vast bedrag per maand toegang hebt tot allerlei spellen. Vooral mobiele games zijn een groeimarkt. Veel jongeren spelen via de smartphone. Uitgevers en ontwikkelaars zoeken vooral naar het vergroten van gamegerelateerde inkomsten. Het echte verdienen aan een game begint als de gamer begint te spelen en zich laat verleiden tot het doen van aankopen. Het geld wordt vooral verdiend met de vele in-appaankopen: microtransacties zoals lootboxes - waarbij wat je koopt een verrassing is - om een extra uitrusting, content of een andere look voor een avatar te kopen (Jansen, 2018).

Voor- en nadelen van schermtijd

Het gebruik van digitale media speelt een belangrijke rol bij het krijgen van zelfvertrouwen, sociale en emotionele steun en het onderhouden van vriendschappen. Kinderen vinden het veelal leuk om nieuwe dingen te leren en uit te proberen. Vaardigheden en ideeën doen ze op via het spelen en bouwen van games, het kijken naar instructiefilmpjes en het volgen van rolmodellen zoals vloggers of gamers. Online mediagebruik helpt de creativiteit te ontwikkelen, Engels te leren, of een passie verder te ontwikkelen als voorbereiding voor later (Geelen & Prins, 2016; Pijpers & De Haan, 2010). Maar risico’s zijn er ook: overmatig veel schermtijd blijkt samen te hangen met een verhoogd risico op depressie, eenzaamheid, gevoelens van leegte, slaapproblemen, een negatief zelfbeeld, suïcidaliteit, verminderde sociale vaardigheden en afgenomen concentratie (Kennisnet, 2017; Twenge, 2017). Toch blijken de positieve emoties en gevoelens lichtelijk de overhand te hebben (Van Driel et al., 2019).

Privacy

Jongeren hechten meer aan hun privacy dan vaak wordt gedacht. Hoewel ze zich online weliswaar graag presenteren aan de buitenwereld via Instagram, Snapchat en TikTok, doen ze dit vooral aan een selecte groep vrienden en vrienden van vrienden. Bij het installeren van apps wordt bijvoorbeeld gevraagd of iemand toegang wil geven tot foto’s of locatie. Hoe ouder en lager opgeleid de smartphonebezitter, hoe vaker hij blind toestemming geeft (CBS, 2019; Geelen & Prins, 2016).

Wat betekent dat voor bibliotheken?

Jongeren associëren bibliotheken nog veelal met de papieren collectie en de uitleen van fysieke boeken. Boeken leest men vooral van papier. Inspelen op een verschuiving naar digitaal lezen gebeurt onder meer met ontwikkelingen binnen de Vakantiebieb, Luisterbieb en Lezenvoordelijst.nl. Voor de jeugd is het van belang dat de dienstverlening van bibliotheken veelal gratis is en dat ze leeftijdgenoten kunnen ontmoeten op een neutrale plek. Studieruimtes zonder afleiding zijn belangrijk, evenals een plaats om even tot rust te komen.

Bij het nadenken over het behouden van de jeugd, ook na hun schooltijd en studiejaren, speelt het vormen van bibliotheekbezoek als een gewoonte een rol. Ouders maar ook leerkrachten kunnen kinderen vertrouwd maken met het bezoeken van een bibliotheek, maar bibliotheken kunnen ook het gebouw uit en de jeugd opzoeken daar waar ze zich bevindt, zowel fysiek als online.

Online jeugdbibliotheek

In januari 2018 is het eerste deel van de online jeugdbibliotheek ingericht met (digitale) collecties en producten en diensten rond de functies lezen, leren en onderzoeken. Verder zijn diensten als Lezenvoordelijst.nl en de Vakantiebieb beschikbaar, die zorgen voor leesbevordering en het voorkomen van een terugval in de leesontwikkeling tijdens vakantieperiodes.

Creatie- en innovatielabs en makerplaatsen

Ook de opkomst van fablabs en medialabs past bij de ontwikkelingen van de jeugd in een digitale mediasamenleving. In deze makerplaatsen komt de jeugd in aanraking met nieuwe technologieën. Veel makerplaatsen zijn uitgerust met de nieuwste snufjes op technologisch vlak, zoals robots, lasermachines, 3D-printers en VR-brillen. Kinderen en jongeren kunnen er zelf creëren, uitvinden, kennismaken met technologie, leren programmeren, ontwerpen of virtual reality ervaren. Dat varieert van opnamestudio’s tot (digitale) knutselplekken. Ook met activiteiten zoals Hiphop in je Bieb en Young Adult-events proberen bibliotheken aansluiting te vinden bij de doelgroep.

 

Mediawijsheid bevorderen

Jongeren zijn minder mediawijs dan ze zelf denken. Ze geven aan dat ze vooral sociale en creatieve vaardigheden willen leren, maar schieten tekort in het inschatten van de betrouwbaarheid van bronnen op internet, een vaardigheid die van belang is voor het herkennen van online nepnieuws. Verschillende onderzoeken laten zien dat jeugd van verschillende leeftijden en schoolniveaus moeite heeft bij het opzoeken, beoordelen en gebruiken van informatie. In het onderwijs wordt weinig tijd besteed aan informatievaardigheden. Volgens leraren komt dit door een gebrek aan expertise over de inzet van ICT in het onderwijs. Ouders doen actief aan media-opvoeding, maar ze geven niet altijd het goede voorbeeld (Boeke et al, 2017).

Bronnen

 

Lees de volledige tekst

Nepnieuws, filterbubbels en vertrouwen

Het internet heeft de manier waarop we informatie creëren, vindbaar maken en delen compleet veranderd. De consumptie van nieuws en informatie is voor een deel verschoven naar sociale media en on demand-diensten. Het verdienmodel van deze platforms is gebouwd op aandacht, niet op het bieden van betrouwbare en relevante informatie. Wereldwijd zijn er zorgen over de verspreiding van desinformatie en nepnieuws. Vooralsnog lijkt het in Nederland zo’n vaart niet te lopen. De pluriformiteit van het Nederlandse mediamodel dempt het risico van filterbubbels en echokamers.

Afbeelding

Mediaconsumptie: live, online en on demand

Nieuwe manieren van kijken zijn in opkomst, al is het kijken naar traditionele televisie nog niet verdwenen. Lineair kijken, dat wil zeggen ‘op het moment van uitzenden’, neemt af; uitgesteld en on demand kijken nemen toe. Televisie kijken gebeurt steeds vaker via smartphone en tablet. Leeftijdsgroepen onder de 35 gebruiken een brede mix van televisiezenders, on demand-platforms en socialemediakanalen, maar vijftig-plus kijkt vooral televisie. Voor een aantal specifieke genres, zoals nieuws, sport en entertainment, hebben alle leeftijden nog een voorkeur voor lineaire televisie (Van Dooremalen & Lauf, 2019). 

Nieuwe formats voor nieuws en entertainment

Media- en nieuwsbedrijven bieden hun content steeds vaker in verkorte vorm, in series, en passend binnen het format van een app of socialemediaplatform: een Twitterdraadje, een korte blog, een Instagramstory. Dat geldt ook voor televisieformats. Zo is NPO bezig met het ontwikkelen van korte documentaires om meer jongeren te trekken. Het nieuwe Amerikaanse platform Quibi, dat in 2020 wordt gelanceerd, biedt zeer korte films in afleveringen van 7 tot 10 minuten, die alleen op mobiele telefoons kunnen worden bekeken.                                                                            

Informatie achter een betaalmuur

Nieuwsmedia hebben te maken met bezuinigingen als gevolg van automatisering, digitalisering en een daling in het aantal abonnees. Regionale en lokale dagbladen hebben het moeilijk omdat er geen goed verdienmodel is. Kwalitatief hoogstaande journalistieke producties kosten tijd en geld. Het idee dat nieuws altijd gratis is, begint te verdwijnen. Nieuwsmedia plaatsen hun berichten vaker achter een betaalmuur (Van der Veer et al., 2019).

Sociale media als nieuwsbron

Sociale media en zoekmachines hebben voor een deel de rol van de massamedia overgenomen. Mensen zien, horen of lezen het nieuws steeds vaker op hun mobiele telefoon, via een gepersonaliseerde tijdlijn van berichten. Vooral jongeren delen nieuwsberichten via hun smartphone (Beekmans, 2019). De journalistiek kan het nieuws dat via sociale media uit de eerste hand komt cureren en in een context te plaatsen. Ook maken nieuwsdiensten gebruik van sociale media om hun content te verspreiden.

Aandacht als verdienmodel

Online platforms zijn erop ingericht dat de gebruiker er zo veel mogelijk tijd doorbrengt. Ze zijn specialist in het bieden van content die de aandacht trekt en vasthoudt. Komiek Sacha Baron Cohen legt uit hoe dat werkt.

 

 

Verspreiding van desinformatie

Nederlanders hebben veel vertrouwen in het nieuws van omroepen en krantenbedrijven, in vergelijking met mensen in andere landen. Nederlanders lezen online veelal dezelfde nieuwsbronnen, zoals Nu.nl en NOS.nl., waardoor ze een gedeelde blik op de werkelijkheid hebben (Van Keulen et al., 2018; Lauf & Scholtens, 2019).

In sociale media als nieuwsbron hebben ze veel minder vertrouwen (Van Keulen et al., 2018). Sociale media kunnen een katalysator zijn voor de verspreiding van desinformatie. De gemiddelde mediaconsument zal namelijk geen moeite doen om te achterhalen waar een nieuwsbericht oorspronkelijk vandaan komt voordat hij het deelt. Hoewel de zorgen om nepnieuws en desinformatie wereldwijd toenemen (Reuters, 2019), lijkt de Nederlandse samenleving tot nu toe weerbaar tegen beïnvloeding door desinformatie.

Filterbubbels

Wanneer mensen nauwelijks meer blootgesteld worden aan ongemakkelijke, uitdagende of prikkelende perspectieven, zouden er echokamers kunnen ontstaan waarin vooral bevestiging van vooringenomen ideeën plaatsheeft. Omwille van hun privacy delen mensen hun informatie weer vaker in gesloten groepen, in plaats van open voor het hele internet. Ook gepersonaliseerde nieuwsfeeds kunnen leiden tot blikvernauwing en bevestiging van vooringenomen ideeën. Uit onderzoek blijkt echter dat we in Nederland vooralsnog niet bang hoeven te zijn voor filterbubbels en echokamers (Möller et al., 2019).

Het vrije internet?

Het Internet is ooit bedacht als vrijhaven waar iedereen informatie kan brengen en halen, maar de praktijk is inmiddels anders. Een groot deel van de informatievoorziening is in handen van enkele grote partijen, zoals Google en Facebook: grote platforms die handelen vanuit een commercieel belang en niet vanuit het algemene belang van een gemeenschap van goed geïnformeerde burgers. Inmiddels gaan er vanuit verschillende kanten geluiden op om een nieuw internet op te richten. Bedenker van het wereldwijde web Tim Berners-Lee roept met zijn Contract for the Web op tot beter internet. In Nederland is Marleen Stikker, oprichter van Waag Society, een van de voorvechters van internetvrijheid. In haar boek Het internet is stuk laat ze zien wat er misging en hoe we het internet weer kunnen terugwinnen: door de mens en niet de economie centraal te stellen, onze data te beschermen en onze technologieën te doorgronden. Sinds 2018 zoekt een coalitie van organisaties onder de noemer Public Spaces naar een alternatief sociaal platform gedreven vanuit publieke waarden: privacy, transparantie en eigenaarschap van data.

Solid

Tim Berners-Lee werkt met zijn team bij MIT aan Solid: een alternatief internet op basis van sociaal gelinkte content. Het concept lijkt een beetje op de traditionele blogosphere: content komt weer in handen van individuele gebruikers, die zelf bepalen waar ze hun data opslaan. Gebruikers hebben een Solid-identiteit en een eigen stukje data-opslag, in dit concept een pod genoemd. Ze geven andere mensen toegang tot delen van hun pod voor de specifieke content die ze willen ontsluiten. Je beheert in feite je eigen pods en bepaalt waar deze worden opgeslagen. Je hebt bijvoorbeeld een pod met privégegevens, eentje met publieke profielen, eentje met medische gegevens et cetera. Vervolgens kun je fijnmazig bepalen welke app toegang heeft tot welk stukje informatie. Het idee is dat je die controle zelf behoudt en toegang kunt verlenen of ontzeggen wanneer dat van toepassing is. Lees meer op Computerworld.

 

Wat betekent dit voor bibliotheken?

In een tijd van informatieovervloed is het filteren, selecteren en beoordelen op betrouwbaarheid nog belangrijker geworden. Het beschikbaar stellen, toegankelijk maken en categoriseren van informatie zijn kernfuncties van de bibliotheek. Digitalisering van informatie en de verspreiding ervan via internet hebben het zwaartepunt van deze rol verlegd. Dit heeft onder andere effect op de inrichting van de collectie, het fysieke informatieaanbod en de kennis en vaardigheden van medewerkers. Ook de inzet van artificiële intelligentie kan hierbij helpen.

Bibliotheken en AI

In het KB-college over artificiële intelligentie vertelde professor David Lankes over de toepassing en mogelijkheden van AI voor openbare bibliotheken:

Mediawijsheid voor volwassenen

Het vinden van adequate informatie uit betrouwbare bronnen is behoorlijk complex geworden. Sommige mensen missen de vaardigheden om door het uitdijende informatielandschap te navigeren. Wie toegang heeft tot nieuwe technologie en weet hoe deze in te zetten, is in het voordeel ten opzichte van degenen die deze kennis en vaardigheden niet bezitten. Zo leidt elke nieuwe toepassing van technologie tot vergroting van de kloof tussen de digital haves en de digital have nots (IFLA, 2019; Kool et al., 2017). Het feit dat niet iedereen in gelijke mate kan profiteren van de gedigitaliseerde mediasamenleving waarin we nu leven, vergroot het risico van het ontstaan van een digitale kloof in Nederland. Verschillende adviesraden - de Raad voor Cultuur, het Sociaal en Cultureel Planburau, het Rathenau Instituut, het Commissariaat voor de Media - pleiten daarom voor een inhaalslag bij volwassenen.

Kwart van de Nederlanders niet mediawijs

Uit onderzoek van Mediawijzer.net blijkt dat een op de vier volwassen Nederlanders niet mediawijs is. Niet alleen kwetsbare groepen, maar ook jongeren, werkenden en hoogopgeleiden missen soms de vaardigheden om informatie te zoeken en selecteren, feiten te checken en kritisch te zijn op desinformatie (Plantinga & Kaal, 2018; Van Grinsven & Rensen, 2018; CBS, 2018). Mediawijsheid is binnen bibliotheken nog veelal gericht op het informatievaardig maken van jeugd en het zelfredzaam maken van kwetsbare burgers, maar het aanbod zou verbreed kunnen worden naar het bieden van context en duiding bij betrouwbare bronnen voor iedereen. Mediawijsheid is in de huidige informatiesamenleving een basisvaardigheid geworden. Bibliotheken kunnen hun aanbod verbreden om alle Nederlanders te helpen om bewust, kritisch en actief om te gaan met digitale media.

Extra risico’s voor kwetsbare groep

Het onderzoek van Mediawijzer.net laat zien dat de Nederlandse bevolking op het gebied van mediawijsheid in vier groepen te verdelen valt, van koplopers tot kwetsbaren. Die laatste groep vormt een behoorlijke risicogroep: ze zijn én niet mediawijs én weten ook veel vaker niet waar ze hulp moeten vinden. Het gaat om Nederlanders die geen internet hebben, analfabeten en mensen met een verstandelijke beperking (Plantinga & Kaal, 2018). Ouderen en mensen met een lagere sociaaleconomische status zijn op het gebied van mediawijsheid eveneens belangrijke doelgroepen (Plantinga & Kaal, 2018). Deze mensen hebben ook te maken met de voortschrijdende digitalisering van de Nederlandse samenleving. Het aanbod van bibliotheken met cursussen en inloopspreekuren kan een groot deel van deze mensen hulp bieden.

Bronnen

 

Lees de volledige tekst

Een datagedreven samenleving

Data wordt wel de olie van de 21e eeuw genoemd. Technologische innovatie heeft de mogelijkheden om data te verzamelen, op te slaan en doorzoekbaar te maken enorm vergroot. Daardoor neemt de hoeveelheid data exponentieel toe, alsook de mogelijkheden om gedrag te volgen en te sturen. De ambitie om van Nederland dé digitale koploper van Europa te maken, is door het kabinet uitgewerkt in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie. Het doel is het vertrouwen van burgers te vergroten door het fundament voor digitalisering te versterken: privacy, cybersecurity, digitale vaardigheden en eerlijke concurrentie.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Data overal

Overal worden data verzameld: persoonsgegevens en gegevens over winkelgedrag, vervoersstromen, criminaliteit, gezondheid enzovoorts. Dat gebeurt wanneer we online zijn, als we slimme apparaten gebruiken en wanneer we ons op straat begeven in de publieke ruimte. Data die inzicht geven in ons gedrag, onze persoonlijke voorkeuren, ons netwerk en onze historie zijn een verhandelbaar product, een betaalmiddel geworden. Niet alleen commerciële bedrijven verzamelen data; overheden en maatschappelijke instituties beschikken eveneens over allerlei gegevens. Deze datastromen raken in toenemende mate met elkaar verknoopt. Ondanks regelgeving is er een troebel gebied aan het ontstaan waarin het steeds minder helder wordt waarvoor onze data precies gebruikt worden en of datadoelen en -middelen in overeenstemming zijn met persoonlijke dan wel publieke belangen, of daarmee botsen.

Platformisering

Een steeds groter deel van het maatschappelijk en economisch verkeer verloopt via online platforms van enkele grote spelers, zoals Google, Apple, Amazon en Facebook. Deze concerns willen zoveel mogelijk gegevens verzamelen van hun gebruikers: hun persoonsgegevens en zoekgedrag. De datastromen die via deze platforms worden verzameld vormen de basis voor algoritmes die bepalen welke informatie de gebruikers te zien krijgen. Doordat datastromen vaker aan elkaar gekoppeld worden, zijn we steeds afhankelijker van die systemen. Het wordt voor de gebruiker in deze context een hele uitdaging om ongekleurde en afwijkende informatie te vinden buiten de zorgvuldig opgebouwde filterbubbel van het platform (Van Dijck et al., 2016).

Platformmechanismen

Dataficatie gaat over het voorspellen van sociale interactie op basis van gebruikersdata. Dataficatie is het omzetten van menselijke handelingen in data, zodat ze verhandeld of ingezet kunnen worden om menselijk gedrag te monitoren en te sturen.

Commodificatie maakt van vrije goederen en ideeën een verhandelbaar product. Persoonlijke gegevens zijn handelswaar. Bedrijven, overheden en maatschappelijke instituties willen onze data benutten voor verschillende doeleinden.

Selectie door filters die bepalen welke informatie en communicatie relevant zijn voor de gebruiker vindt vaak plaats op basis van algoritmes. Algoritmes die erop gericht zijn zo lang mogelijk de aandacht vast te houden, zullen mensen voeden met méér van hetzelfde. Samen met de verspreiding van nepnieuws en misinformatie kunnen deze mechanismen de vrije meningsvorming op een negatieve manier beïnvloeden.

Toepassingen van artificiële intelligentie (AI)

Het gebruik van algoritmes zal verder toenemen. Dat is handig en slim, want met behulp van data kunnen producten en diensten beter afgestemd worden op behoeften. Toch sluimert de vraag in hoeverre we ingrijpende besluiten willen overlaten aan computers die enerzijds misschien slimmer en objectiever zijn, maar die anderzijds niet beschikken over dezelfde vermogens als mensen, zoals het vermogen om meerdere perspectieven te combineren of te twijfelen. Er is ook de angst om de controle te verliezen, om overgeleverd te zijn aan zelflerende machines. Die angst is niet altijd gegrond, maar kenmerkt elke nieuwe techniek die ons leven ingrijpend verandert. Algoritmes die op de juiste manier zijn 'gevoed', zouden menselijke vooroordelen en tekortkomingen juist kunnen corrigeren, bijvoorbeeld door aanbevelingen te doen die de blik verbreden.

Algoritmewijsheid

'In mijn gedroomde toekomst snapt de gemiddelde algoritmewijze mediagebruiker dat historisch kijk-, luister- of leesgedrag ingezet kan, nee, moet worden om aanbevelingen te genereren die de smaak van gebruikers verbreden en niet vernauwen, met een hogere waardering voor de geconsumeerde content tot gevolg.'
David Graus, lead data scientist bij FD Mediagroep in zijn column over algoritmewijsheid

Surveillance en sturen van gedrag

De verknoping van datastromen en de organisatie en distributie van data via platforms maken het eenvoudig om gebeurtenissen en gedrag te volgen, te voorspellen en zelfs te sturen. De beïnvloeding van ons gedrag gaat verder dan het aanbieden van gepersonaliseerde advertenties. Met slimme technologieën en sensoren kunnen al onze bewegingen in de openbare ruimte en online gevolgd worden. Dat kan handig zijn voor bijvoorbeeld crowd management tijdens festivals en drukke bijeenkomsten. Maar er zijn ook zorgen over de grootschalige verzameling van gedragsdata, zolang we niet precies weten waarvoor die gebruikt worden. Ook leidt de optimalisatie van software voor gezichtsherkenning tot zorgen, zolang er nog geen goede wet- en regelgeving voor is (Zuboff, 2019).

De grote dataroof

In de Tegenlichtaflevering De Grote Dataroof vertelt Shoshana Zuboff, auteur van het boek The Age of Surveillance Capitalism, over hoe niet de data die wij zelf aan de grote techbedrijven geven maar juist de data die we niet bewust aan hen geven het gevaar zijn: 'De meeste data die de bedrijven gebruiken, de data waarop ze hun voorspellingen baseren, zijn data die we niet zelf hebben gegeven. Althans: niet bewust. Die data halen ze uit onze uitroeptekens, ons ommetje in het park, uit de kleur en toon van onze stem: allemaal sterk voorspellende signalen.'

Dus: Google en Facebook blind vertrouwen? Beter van niet. Maar ook op het verhaal van Shoshana Zuboff valt wellicht wat af te dingen. Hoe erg is die dataroof nou echt?

Gezichtsherkenning

Op meerdere plekken in Nederland wordt gebruikgemaakt van gezichtsherkenning en aanverwante technieken, vaak voor surveillance of dataverzameling. Gezichtsherkenning kan diensten sneller, goedkoper en efficiënter maken, of helpen bij beveiliging en opsporing. De technologie kan veel meer dan de wet toestaat, en er is veel onduidelijk over wat wel en niet mag (Rijksoverheid, 2019). De Tweede Kamer heeft onlangs een motie aangenomen die het kabinet verzoekt duidelijkere regelgeving te maken rondom gezichtsherkenningssoftware. Ook moet het kabinet een inventarisatie maken van de huidige toepassingen. Met de technische mogelijkheden groeien ook de risico’s dat gezichtsherkenning ingezet voor verkeerde doelen. Overigens krijgen via goedkope diensten van bijvoorbeeld Amazon en Microsoft ook burgers makkelijker toegang tot gezichtsherkenningstools.

Gezichtsherkenning

Ook nog in de veronderstelling dat je gezicht van jou is? Jan Postma schreef er een artikel over in De Groene Amsterdammer.

 

 

Datagedreven samenleving

Overheden en bedrijven experimenteren met nieuwe manieren om data te verzamelen, bijvoorbeeld door het plaatsen van camera's en sensoren. Er komen steeds geavanceerder technieken om die data te analyseren, zoals automatische beeldherkenning. Camera's zijn tegenwoordig vrijwel overal aanwezig, niet alleen in uitgaansgebieden, maar bijvoorbeeld ook in natuurgebieden om dierenpopulaties te tellen. Burgers kunnen zelf ook bewust bijdragen aan de verzameling van data, bijvoorbeeld door hun smartphone als meetsysteem te gebruiken.

Bereidheid persoonlijke data te delen

In ruil voor het gratis gebruik van online platforms delen mensen vrij eenvoudig hun persoonlijke data. Maar ook zonder deze persoonsgegevens is het informatiegedrag van mensen traceerbaar, bijvoorbeeld via zoektermen, bezochte websites, locatiegegevens en online aankopen. Niet allen sites of apps zoals Facebook, Funda en Marktplaats slaan gegevens op; ook tastbare objecten zoals smartphones en sensoren doen dat. Smartification van onze leefomgeving heeft allerlei voordelen, maar vergroot ook de mogelijkheden tot het controleren en zachtjes sturen (nudging) van ons gedrag.

Smart cities

In een smart city werken inwoners, bedrijven, onderwijs en overheid samen op het gebied van ICT om de kwaliteit van leven te verbeteren. Met doelen als het verbeteren van de luchtkwaliteit, omstandigheden in het transport en op de weg en het creëren van veiligheid op straat zijn slimme technologieën geïntroduceerd die data verzamelen over de omgeving. De datasets – soms openbaar vrijgegeven vanuit de wens tot transparantie en open innovatie - worden gebruikt om de openbare ruimte in te richten en zaken beter, efficiënter, veiliger te regelen. Daarbij is transparantie over de verzameling, het beheer en de ontsluiting van openbare gegevens van belang, opdat de privacy en gegevensrechten van mensen worden beschermd.

Voorbeeld: Apeldoorn

In de binnenstad van Apeldoorn hangen sensoren die de geluidsdruk, temperatuur en luchtvochtigheid en de aanwezigheid van een aantal stoffen in de lucht meten. De informatie van de sensoren geeft een beeld van de kwaliteit van de binnenstad. De sensoren zijn ontworpen volgens het privacy by design-principe. Zo meten ze geluidsdruk en nemen ze geen specifieke geluiden zoals gesprekken op. Lees meer in het artikel Sensoren gaan kwaliteit binnenstad Apeldoorn meten.

Data-eigenaarschap en datageletterdheid

Datageletterd is iemand die in staat is om data te gebruiken, die begrijpt wat er met zijn gegevens gedaan wordt, die zijn eigen gegevens kan verzamelen en gebruiken en die in staat en bereid is om op te komen voor het eigenaarschap van zijn data. Nu de hoeveelheid data die wordt verzameld, geanalyseerd en gebruikt exponentieel toeneemt, groeien ook de zorgen over privacy en eigenaarschap van die data. Weten mensen welke data worden opgeslagen en met welk doel, hoe die data weer gecombineerd en gedeeld kan worden en door wie? Er zou een nieuwe digitale kloof kunnen ontstaan: de datakloof tussen wie wel en wie geen toegang tot en controle over zijn eigen data heeft.

Wat betekent dit voor bibliotheken?

De ontwikkeling van informatie- naar datasamenleving roept vragen op over privacy en surveillance, en over de mogelijkheden van de bibliotheek om haar gidsfunctie een hernieuwde invulling te geven. Hoe maken we mensen datageletterd? Is daarin een rol weggelegd voor de bibliotheek, net als bij de andere basisvaardigheden?

Openbare bibliotheken en AI

Op 2 juli 2019 gaf David Lankes zijn visie op de rol van bibliotheken in een tijd van data, algoritmes en AI.

Bibliotheken kunnen met hun activiteiten en informatie bijdragen aan bewustwording bij burgers over de gevolgen van de datasamenleving en het delen van persoonlijke gegevens. Mogelijk kunnen bibliotheken tevens meedenken en -doen aan een alternatief voor de huidige commerciële platforms. Daartoe is het belangrijk om inzicht te krijgen in deze ontwikkelingen, vanuit de vraag hoe technologie zo is in te zetten dat het juist niet de menselijke neiging tot aandacht voor 'slechte' zaken voedt, maar daar een alternatief voor biedt.

 

AI in de bibliotheek

De toepassing van AI raakt aan de traditionele taken van bibliotheken zoals het ordenen van informatie en het beschikbaar maken van kennis. De huidige informatievloed is niet te vatten in een sluitend (bibliotheek)systeem, maar algoritmes zijn in staat om gigantische hoeveelheden ongestructureerde data te doorzoeken. Zo kan AI ingezet door op basis van toegekende trefwoorden bepaalde werken op te nemen in de collectie (Van Wessel, 2019). Door analyse van het lees- en zoekgedrag kunnen gebruikers op maat gesneden aanbevelingen krijgen. De inzet van AI en data is dus van invloed op de dienstverlening en de manier van werken van bibliotheken.

Bewustwording en maatschappelijke dialoog

Naast de mogelijkheden die AI biedt voor het verbeteren en ontwikkelen van diensten, kan de bibliotheek een rol vervullen in het creëren van bewustwording en dialoog over de morele vraagstukken die bij AI komen kijken, en over de gevolgen van de datasamenleving voor burgers. Daarnaast is het van belang dat de ontwikkeling van AI gevolgd en gevoed wordt vanuit de openbaarheid. De samenleving is erbij gebaat dat gebruikte data representatief zijn voor de hele gemeenschap en niet slechts voor de dominante meerderheid of de (kans)rijkste groep.

Bronnen

Lees de volledige tekst

Verbeeldingskracht en vindingrijkheid

Nu artificiële intelligentie steeds meer toepassingen krijgt en robots een serieuze factor op de werkvloer worden, zal tegelijkertijd de behoefte aan specifiek menselijke vaardigheden zoals creativiteit en verbeeldingskracht toenemen. Enerzijds is er een vraag naar goed opgeleide mensen in de technische vakken, anderzijds zijn nieuwsgierigheid en duiding belangrijke onderliggende waarden van innovatie. De snelle technologisering heeft een keerzijde. Mensen willen inzicht hebben in wat ze doen en gebruiken. Maken, vakmanschap en ambacht staan daardoor in een hernieuwde belangstelling.

Afbeelding

Verbeeldingskracht gevraagd

Technologische innovaties zorgen voor veranderingen in het persoonlijke leven. De huidige versnelling van innovaties maakt het moderne leven vluchtig en onvoorspelbaar. We hebben de verbeeldingskracht van filosofen, kunstenaars en verhalenvertellers nodig om de impact van technologie op het dagelijks leven in de nabije toekomst te kunnen voorstellen. Dat impliceert een herwaardering van vaardigheden die robots (nog) niet bezitten, zoals creativiteit, empathie, eigen initiatief, samenwerken en durven falen. Het aanleren van deze vaardigheden vindt lang niet altijd plaats binnen een schoolse context en beperkt zich niet tot het werkende leven.

Anders denken

De technologisch gedreven innovatiedrang roept ook vragen op: ethische vragen, ongemakkelijke vragen en vragen die het voorstellingsvermogen op de proef stellen. Creativiteit is daarom een essentiële behoefte. Van verschillende kanten wordt er gepleit voor een herwaardering van de geesteswetenschappen – filosofen, kunstenaars en verhalenvertellers hebben we nodig om een tegenwicht te bieden aan eenzijdig technologisch gedreven ontwikkelingen. In onderwijs en op de werkvloer zijn deze competenties vaker nodig. Nieuwe vormen van kennisverwerving, zoals doorzien en verbeelden, winnen aan belang (Ruijters, 2016).

Complexe samenleving

De vraagstukken van deze tijd zijn zo omvattend en complex dat er geen eenduidige en sluitende oplossingen voorhanden zijn. Zogeheten wicked problems vragen om nieuwe benaderingen, dwars door disciplines en traditionele domeinen heen. Het zijn complexe vraagstukken die een beroep doen op het voorstellingsvermogen en menselijke creativiteit. Dit zien we terug in de populariteit van allerlei nieuwe manieren van denken, zoals design thinking, visual thinking en de toenemende druk om maatschappelijk van waarde te zijn, het zogenoemde impact thinking.

 

Maken als een manier van leren

Technologische innovaties hebben het zelf maken van producten eenvoudiger en toegankelijk gemaakt. Door de beschikbaarheid van gereedschappen en materialen en het delen van informatie via internet, kan tegenwoordig iedereen zijn eigen spullen produceren. Individuele makers zijn ontwerper, fabrikant en ondernemer in één. In makerplaatsen draait het om zelf creëren, uitvinden, delen en leren van elkaar. Dat vraagt om een makers-mindset, het openstaan voor onconventionele ideeën, nieuwsgierigheid en het lef om keer op keer te falen, omdat we soms meer leren van mislukkingen dan van het afkijken van succesvolle voorbeelden. De voortsnellende technologisering zorgt tegelijkertijd voor een tegenbeweging, in de vorm van de herwaardering van vakmanschap. Ook ‘oude ambachten’ veranderen door technologisering.

De opmars van het maakonderwijs

Maakonderwijs is in het ideale geval onderwijs buiten de institutionele kaders, waar kinderen leren door te maken. Er zijn geen vaste rollen: iedereen leert van iedereen. Maakonderwijs is niet beperkt tot digitale makerplaatsen en gaat verder dan alleen het aanbieden van tools. Belangrijk bij maakonderwijs is het motto: alles is mogelijk, niets moet. Lees meer over de opkomst van het maakonderwijs.

 

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Inspiratie en verbeelding

Als open leercentrum verzorgen veel bibliotheken activiteiten op het gebied van basisvaardigheden. Die zijn veelal georiënteerd op zelfredzaamheid en ondersteuning bij loopbaanontwikkeling. De bibliotheek is echter ook een plek waar de nieuwsgierigheid wordt geprikkeld met een pluriform aanbod van collectie en activiteiten. De confrontatie met verhalen, artistieke uitingen en esthetische ervaringen stimuleert het denken buiten gebaande paden en laat mensen kennismaken met het irrationele, emotionele en chaotische.

Leren door cocreatie

Door een omgeving te bieden voor creatie en innovatie proberen bibliotheken mensen mee te nemen in de overgang naar een digitale samenleving. Naar het voorbeeld van fablabs en makerspaces richten ze fysieke plekken of werkruimten in waar het maken en ontdekken van nieuwe dingen centraal staat en waar samenwerken, cocreatie en kennisdeling de uitgangspunten zijn. Bibliotheken kunnen ruimtes creëren waarmee ze gebruikers faciliteren om kunstzinnige artistieke uitingen te maken en producten te ontwerpen. Het gaat daarbij niet zozeer om het knutselen met (digitale) tools en gereedschappen, maar vooral om het leren van en met elkaar. Door hierop in te spelen kan de bibliotheek een verbindende rol spelen in lokale, culturele communities.

Makerplaatsen

Makerplaatsen zijn (digitale) werkplaatsen waar alles draait om het zelf maken, uitvinden, delen en leren van elkaar, vanuit het open source-principe. Makerplaatsen in bibliotheken komen tegemoet aan de veranderende behoeften en mogelijkheden op het gebied van samen leren (Caso & Kuiper, 2019; Troxler et al., 2018; De Boer & Hermans, 2018). In deze plaatsen kunnen bezoekers dingen maken, uitvinden, programmeren en leren van elkaar. Het idee is dat de waardevolle kennis ‘levend’ is, doordat deze vooral in de mensen zit. De bibliotheek is een platform waar die kennis kan worden ontwikkeld en uitgewisseld. Ook kan de bibliotheek een podium bieden voor de publicatie en distributie van door gebruikers ontworpen producten (Jochumsen et al., 2012; Jochumsen et al., 2015).

 

Bronnen

Lees de volledige tekst

Flexibilisering van arbeid en kennis

De periode waarin mensen werken of onderwijs volgen wordt langer en flexibeler. Mensen wisselen vaker periodes van leren, loondienst en zelfstandig ondernemerschap af. Nieuwe generaties betreden de arbeidsmarkt; zij kijken anders tegen organisaties aan en brengen nieuwe kennis en andere waarden mee. Automatisering en robotisering maken hele beroepsgroepen overbodig, maar er ontstaan ook nieuwe banen. De noodzaak tot vernieuwing op de werkvloer is groot. Grenzen tussen werk, privé en vrije tijd vervagen. Wanneer een baan niet langer het grootste deel van het dagelijks leven beslaat, zoeken mensen andere manieren om zin te geven aan hun bestaan. Ook daar, of misschien wel juist daar is voor bibliotheken een waardevolle bijdrage te leveren.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Flexibilisering van de arbeidsmarkt

Hoewel het in economisch opzicht goed gaat in Nederland, zijn veel mensen onzeker over de toekomst. De arbeidsmarkt flexibiliseert, waardoor veel mensen niet meer het houvast hebben van een vast contract. De technologische ontwikkelingen gaan zo snel dat lastig te voorspellen is aan welke beroepen in de toekomst behoefte is en welke kennis en ervaring daarvoor nodig is. Veranderingen op de arbeidsmarkt zijn vooral voelbaar bij jongere werknemers en bij ouderen. Onder invloed van automatisering en robotisering, nieuwe toetreders op bestaande markten en snel veranderende consumententrends groeit de behoefte aan tijdelijke arbeidskracht. Mensen zullen vaker switchen van baan of een dienstverband combineren met zelfstandig ondernemerschap. Aan de andere kant vraagt de verhoging van de pensioenleeftijd om langere inzetbaarheid van medewerkers.

 

 

Uitstroom pensioengerechtigden

Tot 2040 neemt het aantal pensioengerechtigden jaarlijks toe, terwijl de jonge aanwas kleiner wordt. De uittocht van ouderen leidt volgens bedrijven en organisaties tot een kennishiaat op de werkvloer. Het aantrekken en vooral het vasthouden van jong talent is voor veel bedrijven een uitdaging: jonge werknemers hoppen sneller naar de volgende baan. Ze vinden flexibele werktijden en mogelijkheden tot deeltijdwerk vaak belangrijker dan een hoog salaris.

Generaties X, Y en Z op de werkvloer

De instroom van jongere generaties op de werkvloer zal de transitie van (organisatie)culturen versnellen. Jongere generaties groeien op in een social network-wereld. Ze denken niet meer hiërarchische structuren en afgebakende grenzen. Ze zijn gewend te experimenteren en te leren door te doen. Organisaties zullen zich moeten aanpassen aan het groeiende aantal medewerkers van de generaties Y en Z. Ze zoeken naar nieuwe manieren van samenwerken binnen nieuwe organisatievormen. Van human resources vraagt het aandacht voor de doelgerichte behoeften van deze medewerkers en het verfijnen van het beleid om veranderende loopbaantrajecten en doelen te matchen.

Ongelijkheid op de werkvloer

Veranderingen op de arbeidsmarkt zijn vooral voelbaar bij jongere werknemers en bij ouderen. Kennis veroudert zo snel dat een eenmalige vakopleiding niet langer volstaat: men zal tijdens de hele beroepscarrière moeten blijven leren. Niet iedereen kan of wil dat. Deelname aan onderwijs en scholing is ongelijk verdeeld: laagopgeleiden, ouderen, schoolverlaters, migranten, laaggeletterden en werklozen krijgen over het algemeen minder mogelijkheden om te leren. Voor tijdelijke werknemers wordt het lastiger om hun kennis met scholing op peil te houden en een vaste plek op de arbeidsmarkt te bemachtigen. Om de verschillen tussen vaste en flexibele werknemers te overbruggen is het beleid erop gericht om een leven lang leren te bevorderen.

Banen van de toekomst

Verschuivingen op de arbeidsmarkt zullen vooral dienstverlenende beroepen en het middenmanagement raken. Met name onder kantoorpersoneel en administratief medewerkers zullen banen verloren gaan. De vraag naar werknemers die geschoold zijn in ICT, wiskunde, architectuur en engineering neemt toe. In veel sectoren, zoals de maakindustrie, zal de inhoud van het werk veranderen door robotisering en AI (WEF, 2016).

 

 

Hightech-vaardigheden

De vraag naar technisch geschoold personeel blijft onverminderd groot. Er is een groeiend tekort aan competenties op het gebied van Science, Technology, Engineering en Mathematics (STEM). Het soort denken dat daarmee gepaard gaat, is steeds belangrijker. Zo is statistiek in opkomst vanwege de ontwikkelingen in big data. Niet alleen in kantoorbanen, maar ook in bijvoorbeeld de zorg, het onderwijs, retail, logistiek en agrarische bedrijven neemt de behoefte aan hightech en digitale vaardigheden toe. Inzicht in data is steeds belangrijker, evenals visualiseren en het verhaal eromheen. Daarnaast wordt gevraagd om bredere kennis. In veel sectoren moeten medewerkers van meer zaken verstand hebben dan het vak waarvoor ze zijn opgeleid.

Soft skills

Naast digitale vaardigheden is er een groeiende behoefte aan mensen die creatief te werk gaan, initiatief durven nemen, goed communiceren, presenteren, en in wisselende, tijdelijke teams kunnen werken. Een belangrijke vaardigheid is het vermogen om het eigen leerproces vorm te geven. Het op peil houden van vakkennis is absolute noodzaak, maar het schaven aan persoonlijke, emotionele en sociale vaardigheden is minstens zo belangrijk. In het nieuwe curriculum voor het voortgezet onderwijs zijn zowel soft skills, zoals creatief denken, samenwerken, kritisch denken, communiceren, als ICT-vaardigheden, computational thinking en mediawijsheid opgenomen. In 2019 zijn de plannen van de ontwikkelteams uit de verschillende vakgebieden opgeleverd.

Bereidheid om te leren

De markt voor leren groeit: er is een toename van korte opleidingen, brancheopleidingen en beroepscertificaten. Bijscholing en persoonlijk leren winnen aan belang. Permanente educatie gaat niet alleen over het verwerven van kennis, het gaat ook om de wil om te leren en talenten te ontwikkelen, om ondernemerschap en creativiteit. Lager opgeleide en oudere werknemers zijn minder snel bereid tot het volgen van scholing dan hun hoger opgeleide en jongere collega’s. De meeste mensen volgen onderwijs om hun arbeidsmarktpositie op peil te houden of te verbeteren. Daarnaast is er ook een grote groep die kennis en competenties wil opdoen vanuit een meer intrinsieke motivatie. Deze mensen willen zich in algemene zin blijven ontwikkelen.

Flexibel, online en lokaal leren

Er is meer vraag naar flexibel onderwijs, voor professionele en persoonlijke doelen. Een mix van online en offline leervormen maakt het mogelijk op elk moment, op elke plaats en in elke vorm kennis te verwerven. Het uitstippelen van een leerroute op maat is eenvoudiger geworden dankzij gepersonaliseerde apps, webinars, games en podcasts. De vermenging van offline en online leervormen zorgt voor een nieuwe dynamiek tussen het formele en het non-formele circuit.

Waardering van online leeropbrengsten

Een van de belangrijkste vernieuwingen van de afgelopen jaren is de explosieve groei van het aantal online cursussen. Omdat dit aanbod veelal buiten de kaders van het formele onderwijscurriculum valt, vraagt dat om een andere manier van het waarderen van leeropbrengsten. Daardoor is een grote verscheidenheid aan certificaten, badges en andere microdiploma’s ontstaan. Een van die vormen is het toekennen van digitale badges als bewijs van een verworven vaardigheid. Het voordeel van badges is dat ze makkelijk te delen zijn via sociale media of een online curriculum vitae. Ze zijn controleerbaar op inhoud, herkomst en echtheid.

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Een leven lang leren is een van de grondbeginselen van het openbare bibliotheekwerk. In het overheidsbeleid ligt de nadruk van een leven lang ontwikkelen nu vooral op inzetbaarheid voor de arbeidsmarkt. Hiermee verschuift de focus van persoonlijke ontwikkeling naar maatschappelijke inclusie. Naarmate blijven leren belangrijker wordt voor de loopbaan, zal ook de vraag naar aanbod op het vlak van informeel en non-formeel leren toenemen. Bibliotheken kunnen in een brede behoefte voorzien door nieuwe leervormen te omarmen en online leeromgevingen te combineren met lokale bijeenkomsten of de gelegenheid om studiegenoten te ontmoeten. Doordat bibliotheken laagdrempelig zijn en open voor iedereen, kunnen ze reiken naar doelgroepen die minder kansen op scholing en arbeid hebben, zoals ouderen, migranten en mensen zonder vaste baan.

 

 

Loopbaanondersteuning en persoonlijke ontwikkeling

Naast mensen die behoefte hebben aan loopbaanondersteuning zijn mensen met een intrinsieke motivatie om te leren voor bibliotheken een belangrijke doelgroep. Bibliotheken kunnen op meerdere manieren ruimte geven aan leeractiviteiten, zowel in de bibliotheek als online. Als bibliotheken creativiteit en makerplaatsen op allerlei manieren willen faciliteren, zullen ze zowel voor hun ruimtes als in hun begroting en personeelsbestand keuzes moeten maken.

Positionering

De ontwikkelingen op het gebied van leren roepen vragen op over de rol die bibliotheken op dit vlak kunnen spelen en de wijze waarop de bibliotheek bijdraagt aan een creatief en innovatief kennisklimaat. Welke positie neemt de bibliotheek in binnen het brede educatieve landschap? Hoe verhoudt zij zich daarbij tot andere aanbieders? Welke landelijke bouwstenen zijn er voor een samenhangend aanbod van bibliotheken op het gebied van persoonlijke ontwikkeling? 

Bronnen

 

Lees de volledige tekst

Publieke ruimte onder druk

De uitdagingen op sociaal-maatschappelijk vlak nemen toe: vergrijzing, verstedelijking, groei van het aantal alleenstaanden, het samenleven van mensen met verschillende etnische achtergronden. Het zijn ontwikkelingen die kunnen leiden tot een toenemende tweedeling in de samenleving. De openbare ruimte, waar mensen elkaar terloops tegenkomen, speelt een sleutelrol voor het contact met onbekenden en de blootstelling aan andere culturen en wereldbeelden. Leegstand, privatisering van gebouwen, concurrerende vrijetijdsbesteding en veranderend winkelgedrag zetten de beleving van de publieke ruimte echter onder druk.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Krimp en groei

Nederland zal in 2035 naar verwachting 18,3 miljoen inwoners hebben, 1 miljoen meer dan nu. Vooral de grote en middelgrote steden zullen groeien, evenals diverse randgemeenten rondom de grote steden. Tegelijk zal 1 op de 5 gemeenten krimpen, vooral aan de randen van Nederland. Deze gemeenten zullen ook sneller vergrijzen dan de steden. Ook wonen er straks steeds meer mensen alleen (PBL & CBS, 2019).

Vergrijzing en ontgroening

Nederland vergrijst. Op dit moment is ongeveer 19 procent van de bevolking 65 jaar of ouder, in 2035 zal dat zijn opgelopen tot een kwart. De grote steden zijn minder vergrijsd dan de kleinere gemeenten, maar ook hier neemt de vergrijzing de komende jaren naar verwachting toe, van 13 naar 20 procent 65-plussers in 2035. Door de vergrijzing neemt de druk op zorgvoorzieningen toe. Gemeenten krijgen te maken met oplopende tekorten voor de ouderenzorg. Tegelijkertijd is er sprake van ontgroening: sinds 2005 daalt het aantal mensen van onder de 20. Met name in krimpregio’s zal de verdeling schever worden: meer ouderen, minder jeugd (CBS, 2019).

Versnelde verstedelijking

Wereldwijd woont meer dan de helft van de bevolking in steden. Die verstedelijking zal verder toenemen, ook in Nederland. De groei van steden wordt ten dele veroorzaakt door de natuurlijke bevolkingsaanwas, maar vooral doordat meer migranten zich in de steden vestigen. De toenemende verstedelijking leidt tot uitdagingen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid. Ook zal de vraag naar bepaalde diensten toenemen (CBS, 2019).

Superdiversiteit

De Nederlandse bevolking blijft groeien, vooral door immigratie. Er komen meer migranten uit meer verschillende landen, waardoor de etnisch-culturele diversiteit toeneemt. De WRR spreekt van een ‘nieuwe verscheidenheid’ in een samenleving van vele kleine minderheden (Jennissen et al., 2018). Voorzichtig worden er verwachtingen geuit dat de ontwikkeling richting een ‘superdiverse’ samenleving zal leiden tot een groeiende voedingsbodem voor spanningen (Van den Broek et al., 2016).

Polarisatie

Hoewel de zorgen over polarisatie toenemen, laten bevolkingsenquêtes feitelijk weinig polarisatie zien. De grootste tegenstelling is die tussen arm en rijk, de meeste spanning bestaat tussen etnische groepen. De media neigen naar het uitvergroten van de tegenstellingen, en via sociale media worden berichten sneller en vaak zonder nuancering verspreid, waardoor polarisatie een maatschappelijk risico vormt (Dekker & Den Ridder, 2019).

Privatisering en technologisering

In toenemende mate verdwijnen publieke ontmoetingsplaatsen, zoals parken, buurthuizen en marktpleinen, of ze worden overgenomen door commerciële bedrijven. Door nieuwe technologieën wordt de openbare ruimte steeds minder openbaar. Denk aan treinstations waar je zonder ov-chipkaart bijna niet meer door kunt. Ook hangt de openbare ruimte vol met camera’s en sensoren die data verzamelen over het gedrag van mensen. Deze data kunnen bijdragen aan verbetering van de leefomgeving (smart cities), personalisering van het winkelaanbod en veiligheid. Tegelijkertijd wordt hierdoor de openbare ruimte steeds minder publiek.

Third place

De term third place is afkomstig van de socioloog Ray Oldenburg, die in zijn boek The Great Good Place - oorspronkelijk gepubliceerd in 1989 - schreef over het belang van informele publieke ontmoetingsruimten voor de lokale democratie en de vitaliteit van gemeenschappen. Deze informele plekken met een neutrale status zijn de cementmolen voor de sociale samenhang binnen een gemeenschap.

 

Wat betekent dit voor de bibliotheek?

Ontmoetingsplek

Door toenemende druk op de publieke ruimte en door de hoeveelheid tijd die we online besteden, zal het belang van de bibliotheek als publieke, veilige verblijfsplek toenemen. Nationaal en internationaal bibliotheekbeleid onderstreept de ontmoetingsfunctie van de bibliotheek en de rol in het overbruggen van verschillen tussen bevolkingsgroepen. Of het nu gaat om een thema als integratie, sociale samenhang en burgerzin, of om een zeer menselijke behoefte aan contact, we kunnen niet zonder een plaats waar ontmoetingen tussen mensen en culturen plaatsvinden. Het maakt onderdeel uit van het wezen van de openbare bibliotheek om zo’n ontmoetingsplek te bieden.

Gebouw en programmering

Het faciliteren en stimuleren van ontmoetingen tussen mensen en bevolkingsgroepen is een van de kernfuncties van openbare bibliotheken. De ontmoetingsfunctie krijgt vorm door het simpele feit dat de bibliotheek een publiek gebouw is dat speciaal ontworpen is om te verblijven, aan leestafels of in het leescafé, om vrienden te ontmoeten, een praatje te maken of deel te nemen aan een activiteit. In het gebouw is iedereen welkom, ongeacht leeftijd, sekse, inkomen, achtergrond en politieke voorkeur. Ook in de samenstelling van de collectie en activiteiten streven bibliotheken diversiteit en inclusiviteit na.

Stilteruimtes

Het altijd ‘aan’ staan zorgt voor een groeiende behoefte aan even niets, aan plekken zonder wifi, ruimtes waar je even niet verbonden bent, waar je kunt ontsnappen aan de continue druk van het moderne verbonden leven. De behoefte aan stille ruimtes zal toenemen. Een hip voorbeeld van zulke ruimtes is een whisper lodge: een serene ruimte waar je wordt blootgesteld aan allerlei geluiden, geuren en aanrakingen om de tintelingen in je hersenen op te wekken - een soort liveperformance van een ASMR-video.

 

Maatschappelijke dialoog

Alleen het bieden van een ontmoetingsplek is niet genoeg. Het publieke domein heeft behoefte aan plekken waar ‘betekenisvolle frictie’ plaatsheeft (Hajer, 2018). In een pluralistische samenleving is verschil van mening mogelijk en moeten we ruimte geven aan die verschillende opvattingen, in plaats van te streven naar consensus (Huysmans, 2018). De International Federation of Library Associations and Institutions (IFLA) noemt de bibliotheek in haar manifest over De Multiculturele Bibliotheek ‘toegangspoort tot een cultureel diverse maatschappij in dialoog’ (IFLA, 2018).

Bronnen

 

Lees de volledige tekst

Vormen van burgerbetrokkenheid

De overheid verwacht van burgers dat zij meer eigen verantwoordelijkheid nemen, zodat ze minder beroep doen op de overheid. De kanteling van verzorgingsstaat naar de geschetste participatiesamenleving zorgt op veel plekken voor frictie, met name wanneer goedbedoelde burgerinitiatieven botsen op een starre systeemwereld van wetten en regels. Van beide kanten is aanpassingsvermogen nodig.

 

Afbeelding

Trends & ontwikkelingen

Actief burgerschap

De participatiesamenleving, in 2013 voor het eerst genoemd in de Troonrede, is de opvolger van de verzorgingsstaat. In zo’n samenleving verwacht de overheid een actieve bijdrage van burgers op het gebied van inburgering, werk en inkomen, maar bijvoorbeeld ook als het gaat om de zorg voor de buurt en de leefomgeving. Er zijn grofweg twee bewegingen op het gebied van burgerparticipatie: in de zelfredzame variant nemen burgers zelf het heft in handen om de leefomgeving te verbeteren. De beleidsvariant probeert via de weg van lobbyen, stemmen, inspraak en medezeggenschap richting te geven aan beleid.

Doedemocratie

In het publieke domein wordt steeds meer een beroep gedaan op de zelfredzaamheid van individuen, op zelforganisatie in gemeenschappen en op samenwerking in netwerken. Hierdoor ontstaat een nieuwe vorm van collectieve besluitvorming die ook wel doedemocratie wordt genoemd. Burgers en instellingen leveren zelf een actieve bijdrage aan de leefomgeving, zoals het onderhoud van speeltuinen of groen of lokale voorzieningen voor ouderen. Technologische ontwikkelingen maken dergelijke zelforganisatie en cocreatie steeds beter mogelijk. Burgers organiseren zich rond maatschappelijke thema’s bijvoorbeeld met behulp van sociale media en platforms.

Lokale vraagstukken

Gemeenten proberen burgers te betrekken bij hun lokale beleidsvoering. Ze verkennen in projecten nieuwe vormen van openbaar bestuur waarbij burgers een grote mate van zeggenschap krijgen over de inrichting en uitvoering van maatschappelijke taken op lokaal niveau. Dat gaat verder dan het leveren van inspraak. Niet de overheid is het uitgangspunt, maar het initiatief van de burgers. De overheid moet dan zo goed mogelijk proberen aan te sluiten op hun behoeften. Een middel daarvoor is het Right to Challenge (R2C), waarbij een groep burgers taken van gemeenten kunnen overnemen als zij denken dat het anders, beter, slimmer, goedkoper kan (Blok & Scholthof, 2018).

Stadslabs

De afgelopen jaren zijn op verschillende plaatsen stadslabs opgericht. Onder de term stadslab vallen vele invullingen en toepassingen. Een stadslab faciliteert kennisdeling en cocreatie met burgers om oplossingen te vinden voor lokale vraagstukken en om nieuw beleid te vormen. Dat kan met een digitaal platform, maar ook met fysieke bijeenkomsten op wisselende of op een vaste locatie, bijvoorbeeld in een bibliotheek. Zoals een groep burgers die werken aan toepassingen van LoRa, een openbaar netwerk waarin duizenden sensoren data verzamelen over de stad, over de bijenstand, fietsen, fijnstof, klimaat en parkeerdruk.

Vrijwilligerswerk

In een participatiesamenleving zijn vrijwilligers van groot belang. Grofweg een kwart van de Nederlandse bevolking is op een of andere manier actief als vrijwilliger. Het gemiddelde aantal uren dat Nederlanders per week aan vrijwilligerswerk besteden is geleidelijk gestegen, van 0,7 uur in 2006 naar 0,9 uur in 2016. Het percentage vrijwilligers is over dezelfde periode echter niet of nauwelijks toegenomen: vrijwilligers zijn dus in vergelijking met tien jaar geleden gemiddeld iets meer tijd kwijt aan hun vrijwilligerswerk (SCP, 2016).

Participatie-elite

Met het inzetten op de participatiesamenleving is de hoop gericht op actieve burgers die de ruimte opvullen die ontstaan door een terugtrekkende overheid. Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) (2016) laat echter zien dat er weinig reden is om aan te nemen dat de maatschappelijke inzet en betrokkenheid van Nederlanders de afgelopen kwart eeuw zijn toegenomen. Mensen hebben meer te doen en niet iedereen heeft de vaardigheden om als betrokken burger op te treden. De participatieve samenleving lijkt burgers te overvragen, en het is de vraag hoe representatief het arsenaal aan betrokken burgers is voor de samenleving als geheel, of dat er een zogenaamde participatie-elite aan het ontstaan is (SCP, 2016; WRR, 2017; Movisie, 2017).  

De participatieparadox

'Nieuwe participatievormen hebben een reëel risico dat ze vooral de mogelijkheden van welgestelde burgers versterken, en zo de ongelijkheid vergroten. Dat is de politieke participatieparadox: hoe meer kanalen er komen voor burgers om politiek actief te worden, hoe groter de kans op ongelijkheid in participatie wordt,' stelt Tom van der Meer in het artikel De participatie-elite en de participatieparadox.

 

Wat betekent dit voor bibliotheken?

In een samenleving die meer zelfredzaamheid vraagt van burgers kan de bibliotheek een verbindende rol spelen. Het concept ‘stadslab’ sluit bijvoorbeeld naadloos aan op de maatschappelijke verbreding en de versteviging van de lokale rol die bibliotheken voorstaan. Bibliotheken organiseren gemeenschapsactiviteiten, culturele debatten of lezingen over politieke kwesties en zijn een bron van lokale informatie. Daarnaast brengen bibliotheken maatschappelijke organisaties en groepen bijeen en bemiddelen ze tussen organisaties en burgers die vrijwilligerswerk willen doen.

Burgerschapsvaardigheden

De bibliotheek kan voorwaarden scheppen voor burgerparticipatie, door mensen te ondersteunen bij het opdoen van vaardigheden die hen in staat stellen om zelf beslissingen te nemen en activiteiten uit te voeren voor de gemeenschap. Bij zulke burgerschapsvaardigheden kunnen we bijvoorbeeld denken aan het luisteren naar de mening van anderen, het vormen en verkondigen van een eigen mening, het dragen van verantwoordelijkheid voor de eigen standpunten, het goed doordacht besluiten nemen en bijdragen aan de publieke besluitvorming. Zeker in een samenleving waar grote verschillen bestaan tussen bevolkingsgroepen is de verbindende rol van bibliotheken van wezenlijk belang. Burgerschap anno 2050 zal vooral door de superdiversiteit een beroep doen op burgerschapsvaardigheden, meer nog dan nu het geval is, zo verwacht het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP, 2016).

Platform

Samen met andere organisaties kunnen bibliotheken een platform bieden waar mensen elkaar tegenkomen, online en lokaal, en waar ze met elkaar de dialoog aangaan. Op sommige plaatsen gebeurt dat letterlijk, zoals in bibliotheken die deelnemen aan de Week van de Dialoog, of die een human library organiseren, waarin deelnemers in een persoonlijke uitwisseling een menselijk ‘boek’ lezen, of een lokale inwoner ‘lenen’ om hen wegwijs te maken in de stad. Ook zijn er initiatieven waar bibliotheken een virtueel platform bieden om lokale discussies te voeren en betrokken burgers elkaar te laten mobiliseren, zoals de KennisCloud.

Burgerinitiatief voor bibliotheken

Bibliotheken hebben zelf ook te maken met burgerinitiatieven rondom hun eigen vestiging. Uit een inventarisatie van de KWINK-groep komen drie typen burgerinitiatieven naar voren: vrijwilligersbibliotheken in dorp of wijk, minibiebs of boekspots waar mensen eigen boeken kunnen ruilen en apps die het onderling ruilen of uitlenen van boeken makkelijker maken, zoals Peerby.

Bronnen

 

Lees de volledige tekst

Vinden en binden van publiek

Meer dan ooit heeft de klant de touwtjes in handen. Die klant wil snelle bediening op maat, en wel zo eenvoudig mogelijk. De consument is grillig en laat zich niet makkelijk meer binden. Zijn voorkeuren veranderen snel. Tegelijkertijd nemen de mogelijkheden om klanten nauwgezet te volgen toe.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Scheidslijnen vervagen

Scheidslijnen tussen hoog en laag en tussen genres en disciplines verschuiven en vervagen. Het bezoeken van een museum of cultureel podium is ‘gewoner’ geworden. Musea, poppodia en festivals trekken steeds meer bezoekers. Negen op de tien Nederlanders bezoeken jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling of festival (OCW, 2017). De hedendaagse cultuurconsument beweegt zich dwars door genres, segmenten en gezelschappen heen die op dat moment aansluiten bij de eigen smaakvoorkeuren of bij de nieuwste hype.

Beleving belangrijker

Aan het bezoeken van een expositie of festival gaat een hele reis vooraf, van een masterclass met de makers tot een exclusief diner voorafgaand aan een voorstelling. Randprogrammering wordt belangrijker en het bezoek wordt een belevenis. Musea, bibliotheken en podia experimenteren met virtual en augmented reality om de bezoekerservaring nog indringender te maken. AR legt een laagje over de werkelijkheid, door in te spelen op de plek waar iemand zich op dat moment bevindt. Inzet van technologie in 3D of 4D of zelfs levensgroot via (holografische) projectie, reagerend op bewegingen of gezichtsuitdrukkingen, laat het onderscheid tussen virtueel en ‘echt’ vervagen.

Publieksparticipatie door cocreatie

Participatie houdt in dat culturele organisaties het publiek een stem en een actieve rol geven, door hen in een vroeg stadium bij de programmering te betrekken. Dat kan variëren van een inleiding of verdiepende bijeenkomst bij een activiteit tot het laten verzamelen en presenteren van collectiestukken. Het is belangrijk om te weten wat zich binnen de gemeenschappen afspeelt. Goede communicatie over wat publieksparticipatie betekent is daarbij van groot belang. Museumdirecteur Nina Simon ontwikkelde een methodiek om met, door en voor het publiek culturele activiteiten te programmeren (Simon, 2010).

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Ook bibliotheken kunnen de inzet van technologie aanwenden om het publiek op een andere manier te benaderen en inzicht te krijgen in snel wisselende behoeften. Hoewel de mogelijkheden toenemen om klantgedrag te monitoren en mensen te benaderen met persoonlijke aanbiedingen, brengt het gebruik van klantdata nieuwe vragen op het gebied van privacy met zich mee. Juist voor bibliotheken zijn dit prangende kwesties, omdat ze hun publieke betrouwbare karakter willen waarborgen.

 

 

Inzicht in wensen van gebruikers

Bibliotheken willen graag uiteenlopende doelgroepen bedienen en nieuwe gebruikers vinden, maar uitleenbestanden en bezoekersregistraties krijgen potentiële gebruikers bijna niet in beeld. Inzicht in de wensen van de huidige gebruikers van de bibliotheek en de behoeften van (nog-)niet-gebruikers is hard nodig in een dynamische markt waarin veel (nieuwe) spelers actief zijn. Cijfers over herhaalde bezoeken en het koppelen van op maat gemaakte berichtgeving aan gebruikersprofielen kunnen bibliotheken helpen om een duurzame relatie op te bouwen met gebruikers, bijvoorbeeld door de klantreis van verschillende gebruikers in kaart te brengen: van het allereerste moment dat ze met de bibliotheek in aanraking komen tot het moment dat ze daadwerkelijk van de bibliotheek gebruikmaken als bezoeker, lener of op een andere manier, en de weg die ze daarna afleggen.

Landelijk en lokaal aanbod

Bibliotheken staan voor de uitdaging om het gat te dichten tussen de beperkingen van het traditionele lidmaatschapsmodel voor de uitleen van materialen en de vrije toegang tot de dienstverlening op locatie. Inzicht in consumentenbehoeften en drijfveren en kennis van consumentenmarkten is van belang om leners en lezers, leden, bezoekers en nieuwe doelgroepen op maat te kunnen bedienen. Daarbij is een nieuwe balans gewenst tussen landelijk aanbod van digitale diensten en lokaal aanbod van fysieke producten en activiteiten.

Persoonlijke data en privacy

Naarmate bibliotheken meer gegevens van bibliotheekgebruikers hebben, kunnen ze hun diensten daar beter op aanpassen en bijvoorbeeld persoonlijke aanbevelingen of aanbiedingen doen. Variatie in abonnementsvormen, pasjes en apps vergroten de betrokkenheid van bezoekers zonder dat ze daarvoor een langdurige verbintenis aangaan. CRM-systemen voor online kaartverkoop en bezoekersregistratie maken het mogelijk om ook niet-leden te blijven volgen. Hoewel dit mogelijkheden biedt om klanten te bereiken en binden, roept het ook vragen op over privacy. De bibliotheek heeft een imago als betrouwbaar instituut, dat geen misbruik maakt van persoonlijke data.

Duurzaam verbinden

Het monitoren en vinden van mogelijke gebruikers is één ding, het duurzaam verbinden van mensen aan de bibliotheek stelt bibliotheken voor een andere uitdaging. Veel bibliotheken worstelen met de vraag hoe ze bepaalde groepen of community’s aan zich kunnen verbinden, en wat dat oplevert. De verbinding tussen online communities en offline bijeenkomsten kan daarbij een belangrijke meerwaarde zijn.

Bronnen

Lees de volledige tekst

Innovatie in de boekenketen

Digitalisering leidt tot verschuivingen in de traditionele waardeketen van auteur - uitgever - boekhandel en bibliotheek - lezer. De waardeketen is nu een flexibel netwerk met de klant als middelpunt. De rolverdeling tussen de verschillende partijen verandert en er komen nieuwe, branchevreemde toetreders op de markt. Auteurs zijn zelf uitgever, lezers gaan zelf publiceren, online platforms maken bemiddelaars ten dele overbodig. Daardoor gaan verdienmodellen en bestaande structuren op de schop en komen er nichemarkten bij. Ook groeit het aanbod van streamingdiensten, die beter aansluiten bij de manier waarop mensen hun vrije mediatijd willen besteden.

Afbeelding

Trends en ontwikkelingen

Innovatiekracht van het netwerk

In 2019 publiceerde KVB Boekwerk de uitkomsten van een innovatiescan in het boekenvak. De constatering was dat men aan de slag moet: de boekensector moet versnellen en gebruikmaken van de kracht van het netwerk. Het landschap zal volgens de boekenondernemers in de komende vijf jaar sterk veranderen. Mogelijkheden tot vernieuwing zoeken boekverkopers in de beleving van de boekhandel, het vergroten van het winkelgemak, abonnementsdiensten, meer interactie met lezers en de inzet van technologie en AI voor printing on demand en personalisatie. Ook wil het boekenvak verduurzamen (Balian et al., 2018).

 

Online verkoop

Mensen kopen boeken steeds meer via online winkels zoals Bol.com. Vooralsnog lijken deze aankopen niet ten koste te gaan van de lokale boekhandel: een kwart van de consumenten heeft daar zijn laatste boek gekocht, een aandeel dat stabiel blijft door de jaren heen. In totaal koopt 59% van de consumenten het liefst boeken in een fysieke winkel (GfK, 2019).

Print en e-boeken

Bijna de helft van de Nederlanders leest weleens een e-boek (GfK, 2019). De verkoop van e-boeken blijft steken op circa 7% van de totale boekenomzet, maar de omzet uit e-bookabonnementen stijgt. Ook het aantal leden, uitleningen en beschikbare titels van de online Bibliotheek neemt nog steeds toe. Tegelijkertijd blijven papieren boeken een belangrijk medium, dat niet door het e-book verdrongen wordt.

Rol van intermediairs

De rolverdeling tussen professionele en amateurmakers en het publiek verschuift. Via internet heeft vrijwel iedereen toegang tot de middelen voor het zelf creëren en verspreiden van tekst, beeld en andere media. Door het directe contact tussen makers en afnemers, tussen auteurs en lezers die elkaar vinden op sociale platforms, neemt het belang van traditionele intermediairs, zoals uitgevers en boekhandels, af. Dat heeft gevolgen voor de inkomsten van makers en intermediairs, maar ook voor de inhoud van hun creaties. Hun succes én hun inkomsten worden voornamelijk bepaald door het aantal volgers. Digitalisering en andere technologische ontwikkelingen leiden ook tot herziening van het auteurs- en leenrecht (Poort, 2018).

Iedereen auteur

Meer dan een miljoen Nederlanders houden zich in de vrije tijd bezig met creatief schrijven. De markt voor self-publishing groeit (CB, 2018). Wie iets wil publiceren, heeft daar niet noodzakelijk bemiddeling van uitgever of boekhandelaar voor nodig. Er zijn volop mogelijkheden om een boek zelf uit te geven. Het is daarom niet verrassend dat printing on demand in zowel afzet als aantal titels een opwaartse trend laat zien (CB, 2019). Uitgevers passen hun dienstenmodel daarop aan en bieden bijvoorbeeld begeleiding en redactie voor wie zelf wil publiceren, of een platform waar auteurs hun e-books kunnen promoten en verkopen (Neele et al., 2017; Boekmanstichting, 2016).

Sociale platforms voor schrijven en lezen

De meeste amateurschrijvers publiceren op een plek zonder kosten voor de lezers, bijvoorbeeld via een blog: voor de lezer is dit gratis; de auteur krijgt erkenning, directe feedback van lezers en contact met het publiek, maar geen geld. Sterker nog, het kost de auteur soms zelf geld – een professionele website of blog is niet gratis. Jongeren zijn gewend aan het gratis beschikbaar stellen van hun creaties en aan direct contact met de lezers. Online platforms brengen amateurschrijvers en lezers direct met elkaar in verbinding. Er ontstaan communities waar lezers hun verhalen of gedichten uploaden en zo een eigen publiek kunnen vinden. Apps zoals Sweek en Wattpad zijn met name populair bij een jongere doelgroep. Jongeren zijn eraan gewend om hun creaties te delen en op die manier directe feedback te krijgen vanuit een eigen kring van volgers (GfK, z.j.)

Verdienen aan e-books

De verkoop van e-books blijft in Nederland steken op circa 7-8% van de totale boekenomzet, maar de omzet uit e-bookabonnementen stijgt (CB, 2019). Ook het aantal leden, uitleningen en beschikbare titels van de online Bibliotheek neemt nog steeds toe. De betalingsbereidheid voor e-books is lager dan die van gedrukte boeken, ook al ligt er dezelfde intellectuele arbeid aan ten grondslag. Een e-book laat zich niet in de boekenkast of op de salontafel presenteren en heeft ook als cadeauboek weinig aantrekkingskracht. Een lastige bijkomstigheid is de beschikbaarheid van illegale kopieën die – vaak met de beste bedoelingen – onderling uitgewisseld worden. Het uitblijven van een echte doorbraak van het e-book laat op zich wachten.

Digitale literatuur nog geen doorbraak

Uitgevers investeren voornamelijk in nieuwe online verkoopkanalen en in promotie via sociale media, maar nauwelijks in digitale varianten van hun product, zoals apps, games en VR-installaties. Daarvoor zijn de kosten te hoog en de kans om die terug te verdienen te onzeker. Belangstelling voor digitale literatuur is er echter wel, merkt het Letterenfonds, dat die interesse probeert aan te wakkeren (Dessing, 2019). De beste kansen voor digitale literatuur liggen momenteel bij de inzet van digitale varianten als marketinginstrument, en in de mogelijkheden van seriële fictie, in navolging van het serie kijken op streamingkanalen als Netflix (Dresscher et al., 2017).

Wat betekent dit voor bibliotheken?

Podium en werkplaats

Bibliotheken organiseren auteurslezingen, leeskringen, schrijfcursussen, dichtworkshops en andere activiteiten voor lezer-schrijvers. Ze bieden een podium voor dichters en schrijvers om hun werk voor te dragen aan een publiek en een platform om ervaringen uit te wisselen met andere auteurs. Nieuwe verschijningsvormen van literatuur en poëzie op festivals, wedstrijden en open podia bieden eveneens mogelijkheden voor bibliotheken om een ander publiek aan te spreken. Ook kunnen bibliotheken advies geven aan mensen die een boek in eigen beheer willen uitgeven.

 

Bronnen

Colofon

Aan dit dossier hebben meegewerkt

Redactie

Marianne Hermans
Marjolein Oomes
 

Met medewerking van:

Anne van den Dool, Annemiek van de Burgt, Sharon van de Hoek

Vormgeving

Carlien Keilholtz

Fotografie

iStock