Vermindering aantal bibliotheekorganisaties

Met de start van de Bibliotheekvernieuwing (2001-2008) zijn aan het begin van deze eeuw de basisbibliotheken ontstaan. Op provinciaal niveau werd via fusies toegewerkt naar schaalvergroting. Dit proces heeft uiteindelijk geleid tot een vermindering van het aantal bibliotheekorganisaties, van 542 openbare bibliotheekorganisaties in 2000 tot 194 organisaties in 2008. Ook na 2008 heeft deze daling doorgezet en nam het aantal basisbibliotheken af tot 149 in 2017 (KB, 2018; CBS, 2018).

De Bibliotheekvernieuwing

In 1998 pleitte de Raad voor Cultuur voor een vergaande opschaling van het bibliotheekwerk, met bibliotheekorganisaties die in meerdere gemeenten gingen opereren. De discussie over dit advies resulteerde in de instelling van de stuurgroep Herstructurering Openbaar Bibliotheekwerk (de ‘commissie-Meijer’). Haar rapport Open poort tot kennis (2000) leidde het proces van Bibliotheekvernieuwing (2001-2008) in. De bibliotheken werden gedwongen “de dienstverlening en de bestuurlijke organisatie aan de stormachtige maatschappelijke ontwikkelingen aan te passen” (Ministerie van OCW, 2000). Aan de hand van zogenoemde ‘marsrouteplannen’ werd op provinciaal niveau via fusies toegewerkt naar schaalvergroting. Op die manier konden bibliotheken profiteren van schaal- en efficiencyvoordelen (Huysmans & Oomes, 2018).

Het ontstaan van de basisbibliotheek

Als gevolg van dit vernieuwingsproces zijn de basisbibliotheken ontstaan. In die periode van de bibliotheekvernieuwing was het beleid om grotere organisatorische eenheden te smeden. Zo fuseerden gemeentebibliotheken tot ‘basisbibliotheken’ die in meerdere gemeenten bibliotheekdiensten verleenden. Een basisbibliotheek werd gedefinieerd als: “een zelfstandige organisatie met één of meer vestigingen die in één of meer gemeenten een bibliotheekvoorziening aanbiedt. De basisbibliotheek is ten minste verantwoordelijk voor de uitvoering van een aantal kernfuncties. Daarnaast zal zij voor haar opdrachtgevers (gemeenten(n), provincie, derden) nog andere betekenisvolle taken uitvoeren op basis van aanvullende afspraken. De basisbibliotheek wordt voor het belangrijkste deel gefinancierd door de gemeente(n) waarmee de opdrachtrelatie wordt onderhouden” (Procesbureau Bibliotheekvernieuwing, 2002).

Daling aantal bibliotheekorganisaties

In de jaren ’90 van de vorige eeuw piekte het aantal zelfstandige bibliotheekorganisaties boven de 600; ongeveer evenveel als er gemeenten waren. In 2000 telde Nederland 542 openbare bibliotheekorganisaties. Na het inzetten van de Bibliotheekvernieuwing resteerden er in 2008 nog 194, een aantal dat verder (maar in lager tempo) daalde tot 149 in 2017. Het aantal vestigingen dat deze organisaties runden, komt aan bod in het artikel over vestigingen: Dalend aantal bibliotheeklocaties. Daaruit blijkt dat het aantal fysiek te bezoeken bibliotheeklocaties - net als het aantal bibliotheekorganisaties - in de afgelopen jaren is afgenomen (KB, 2018; CBS, 2018).

"

Bron: KB, 2018; CBS, 2018.

Provinciale ondersteuning

Provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s) ondersteunen openbare bibliotheken bij hun werkzaamheden. Samen vormen de POI’s een landelijk dekkend netwerk en zijn ze verenigd in de Stichting Samenwerkende POI’s Nederland (SPN). SPN organiseert de samenwerking tussen de POI’s en andere organisaties. Ook behartigt SPN de belangen van de POI’s in het bestuurlijk overleg met provincies en het Rijk. De gesubsidieerde taken die POI’s uitvoeren, komen voort uit bestuurlijke afspraken (met VNG, IPO, OCW) en uit provinciaal beleid. Vanuit de Wet stelsel openbare bibliotheek voorzieningen (Wsob) zijn de POI’s verantwoordelijk voor interbibliothecair leenverkeer (IBL) en de ontwikkeling van innovaties ten behoeve van lokale bibliotheken. Daarnaast verlenen POI’s ook niet-gesubsidieerde diensten, waarvoor de openbare bibliotheken een vergoeding betalen. POI’s zijn actief op het gebied van digitale dienstverlening en infrastructuur, collectiebeleid, IBL, bedrijfsvoering, innovatie en leesbevordering. Niet elke POI voert precies dezelfde taken uit.

Totaal van 9 POI’s

In 2017 waren er 9 POI’s werkzaam in de branche. Drie van deze instellingen voeren taken in 2 provincies uit: ProBiblio (Noord- en Zuid-Holland), Rijnbrink Groep (Overijssel en Gelderland) en Cubiss (Noord-Brabant en Limburg). ProBiblio bedient beide provincies vanuit 1 centrale vestiging (Hoofddorp). Rijnbrink (Nijverdal en Arnhem) en Cubiss (Tilburg en Sittard) beschikken in elke provincie over een vestiging. De overige 6 POI’s zijn Biblionet Groningen (stad Groningen), Bibliotheekservice Fryslân (Leeuwarden), Biblionet Drenthe (Assen), BiSC (Bunnik), ZB Planbureau en Bibliotheek van Zeeland (Middelburg) en Servicecentrum Flevolandse Bibliotheken (Lelystad). De laatste POI heeft in de loop van 2017 taken overgedragen aan bibliotheken, vanaf 1 januari 2018 worden door het SFB geen werkzaamheden meer uitgevoerd.

Landelijke ondersteuning

Op landelijk niveau krijgen de lokale bibliotheken en de POI’s ondersteuning van de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en de Koninklijke Bibliotheek. Deze rolverdeling heeft in de afgelopen jaren veel veranderingen doorgemaakt. Tot 1 januari 2010 was de VOB naast branchevereniging voor bibliotheken, ook sectorinstituut. De activiteiten van de oude VOB zijn in 2010 ontvlochten in branche- en besteltaken. Sinds dat moment treedt de nieuwe VOB op als branchevereniging van de openbare bibliotheken. De besteltaken zijn in 2010 terechtgekomen bij het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB). De digitale activiteiten van de VOB werden sinds 2010 uitgevoerd door de stichting Bibliotheek.nl (VNG et al, 2010).

Regierol KB sinds 2015

Met ingang van 2015 kreeg de KB een regierol binnen het netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen. Daarbij hoort ook de verantwoordelijkheid voor de landelijke digitale bibliotheek en Aangepast Lezen. Toen ging de Wet stelsel openbare bibliotheek voorzieningen (Wsob) in. De taken en activiteiten van SIOB, de Stichting Bibliotheek.nl (BNL) en de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren (DBNL) zijn daarmee in de KB ondergebracht. Vanuit deze regierol werkt de KB nauw samen met andere organisaties, op landelijk, provinciaal en lokaal niveau. Zo stelt de KB in overeenstemming met lokale bibliotheken en POI’s elke vier jaar een gezamenlijk collectieplan vast. Daarnaast hebben de KB en SPN de regie gevoerd bij het opstellen van de gezamenlijke Innovatieagenda en Actieagenda. Die zijn in 2016 vastgesteld in overleg met een klankbordgroep waarin ook de VOB, VNG, IPO en het ministerie van OCW waren vertegenwoordigd.

Bronnen